
Collectie Zwinderman
Drenten in de Nederlandse koloniën in Zuidoost-Azië
Het startpunt van onze verkenning ligt in de voormalige Nederlandse koloniën, nederzettingen en handelsposten in Zuidoost-Azië. Van 1602 tot 1799 werden deze koloniën bestuurd door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Deze Nederlandse handelsonderneming had een door de Staten-Generaal verleend monopolie op de overzeese handel met deze gebieden. De VOC had gedurende haar bestaan het alleenrecht op het sluiten van verdragen, het voeren van oorlog, het veroveren van nederzettingen en handelsposten en het stichten van nederzettingen. In de gebieden waar de VOC nederzettingen had, was slavernij nauw verweven met de economie en met de samenleving. Hoewel de VOC zelf weliswaar beschikte over zogenaamde ‘compagnieslaven’, werd het grootste gedeelte van de slavenhandel verricht door particulieren. Ook waren met afstand de meeste slavenhouders particuliere slavenhouders. Individuele dienaren van de VOC waren echter wel sterk vertegenwoordigd onder deze particulieren. Volgens een overzicht uit 1688 werden in de Nederlandse koloniën in Azië bijvoorbeeld zo’n 66.348 mensen in slavernij gehouden door particulieren, terwijl de VOC zelf 4.127 mensen in slavernij hield. Deze aantallen bleven vanaf het einde van de zeventiende eeuw in de gebieden onder controle van de VOC vrijwel gelijk, terwijl in Batavia het aantal zelfs steeg van 26.000 in 1688 naar 40.000 in 1779 .1 Deze slavernij was vaak, maar niet uitsluitend, terug te vinden in de huishoudelijke sfeer. Hoge VOC-bestuurders hadden omvangrijke huishoudens met een groot aantal tot slaaf gemaakten. Veel lagere en armere VOC-dienaren hadden echter ook slaafgemaakten werkzaam in hun huishouden. Een overzicht uit 1683 laat bijvoorbeeld zien dat zelfs de lagere VOC-werknemers zoals de zeelieden, soldaten en tamboers gemiddeld één persoon in hun huishouden werkzaam hadden die tot slaaf was gemaakt. In een later overzicht uit 1739 was dit gemiddelde zelfs verdubbeld naar twee tot slaaf gemaakten per huishouden.2
In de gebieden onder het VOC-bewind kon je op verschillende manieren tot slaaf gemaakt worden. De meest gebruikelijke manier was het tot slavernij veroordeeld worden wanneer je een krijgsgevangene was. Hierna was de meest gebruikelijke methode om mensen te ontvoeren om ze vervolgens op een slavenmarkt te kunnen verkopen. Andere methoden bestonden echter ook. Sommige mensen verkeerden in dusdanige armoede dat ze zich noodgedwongen tot slaaf lieten maken en verkopen. In andere gevallen werd men door een rechtbank zelfs tot slaaf verklaard. Ook werden sommigen al in slavernij geboren, wanneer hun ouders al tot slaaf waren gemaakt.3
In tegenstelling tot de Nederlandse koloniën in het Atlantische gebied (zie hoofdstuk 2), draaiden de Nederlandse koloniën in Azië overwegend niet op plantage-arbeid, maar op handel. Aangezien de lokale bevolking de landbouw verzorgde, was de VOC alleen afnemer van de gewassen. De slavernij had in deze gebieden hierdoor eerder een ‘stedelijk’ karakter. Slaafgemaakten werden ingezet in en rond VOC-vestigingen in de constructie, als scheepsbeladers, als sjouwers en als handwerkslieden. Een deel van de slaafgemaakten werd zelfs als ‘werkslaaf’ of ‘ambachtsslaaf’ gebruikt, die uitgezonden werden om voor hun niet-werkende meesters geld te verdienen. Het grootste deel van de slaafgemaakten werkte echter in het huishouden.4

Ten onrechte heeft er lange tijd het beeld bestaan van een zogenaamde ‘mildere’ vorm van slavernij in de meer intieme huishoudelijke sfeer in Zuidoost-Azië ten opzichte van de wijd gedocumenteerde wreedheden van de plantage-slavernij in Zuid-Amerika en het Caribische gebied. Dit was niet de realiteit. Veel ooggetuigen benadrukten in de zeventiende eeuw bijvoorbeeld al de excessieve wreedheden van de slavenhouders in Zuidoost-Azië.5 De neiging tot extreme repressie en gruwelijke straffen kan mede verklaard worden door het feit dat de Europese inwoners in deze gebieden in de minderheid waren, waardoor de slavenhouders zich zeer beducht waren van het dreigende ‘gevaar’ van de slaafgemaakten in hun eigen huishouden. Een ervaren aantasting van de orde of het gezag van de eigenaren werd hierdoor doorgaans met zeer gruwelijke straffen beantwoord. Hierbij moet ook opgemerkt worden dat veel van wat zich in de huishoudelijke sfeer plaatsvond, verborgen is gebleven voor de buitenwereld. Een door de VOC uitgevaardigd verbod van 15 januari 1681 in Batavia (Jakarta) op het heimelijk begraven van de lijken van slaafgemaakten op eigen erf laat zien hoe ver deze excessen in de huiselijke sfeer konden gaan.6
Na het verlopen van het octrooi van de VOC op 31 december 1800 werden deze gebieden voortaan de kolonie van de Nederlandse staat. Het inmiddels in zwang geraakte universele en humanistische gedachtegoed van de Verlichting werd vooralsnog echter hoofdzakelijk ‘thuis’ gepraktiseerd. Zowel de slavenhandel als de slavernij werden in het begin van de negentiende eeuw nog steeds toegestaan en gehandhaafd. Sterker nog, om aan het tekort aan manschappen tegemoet te komen, werden zelfs Aziatische tot slaaf gemaakten voor het koloniale leger gerekruteerd.7 Uiteindelijk duurde het nog tot 1 januari 1860 voordat de slavernij in Nederlands-Indië de jure werd afgeschaft. De facto bleef slavernij in sommige van deze gebieden nog voorkomen tot in de twintigste eeuw. In 1901 werden er op het eiland Lombok bijvoorbeeld nog 7741 slaafgemaakten geregistreerd.8 De reden hiervoor was dat in 1860 alleen de 4739 geregistreerde slaafgemaakten in Java en Madoera waren vrijgemaakt, samen met een financiële vergoeding voor de voormalige eigenaren. Tienduizenden slaafgemaakten in andere delen van de Indonesische archipel die niet onder direct Nederlands koloniaal bestuur vielen, werden niet vrij gemaakt. Dit betrof grote delen van Celebes, Sumatra, Borneo, de Molukken, Bali en Lombok. Zelfs in de gebieden die wél onder direct Nederlands bestuur vielen bleef slavernij voortbestaan voor duizenden personen omdat ze simpelweg niet als slaafgemaakt geregistreerd waren. De slavenhouders in deze gebieden waren deels Europees, maar grotendeels Aziatisch. Deze lankmoedige houding van de koloniale overheid jegens de voortwoekerende slavernij in dit gebied kwam deels voort uit de grote administratieve inhaalslag die nog gemaakt moest worden, deels vanuit de onwil om de benodigde hoeveelheid overheidsgeld vrij te maken om alle eigenaren schadeloos te stellen en deels vanuit de angst voor de eventuele politieke onrust die massale afschaffing in de regio los zou kunnen maken.9
Drenten in dienst van de VOC
Binnen deze context hebben we onder andere gezocht naar de individuele Drenten die in dienst van de VOC waren uitgevaren naar deze gebieden. Om deze Drenten te vinden hebben we gekeken in de scheepssoldijboeken waar de persoons- en salarisgegevens van de uitbetaalde opvarenden van elk VOC-schip vermeld staan. Deze soldijboeken zijn op de website van het Nationaal Archief doorzoekbaar gemaakt via de index ‘VOC-Opvarenden’.10 Door hier te zoeken naar Drentse plaatsnamen hebben we 480 vermeldingen van Drentse opvarenden in de scheepssoldijboeken kunnen terugvinden. De onderzoeksgids ‘Drenthe en het slavernijverleden’ op de website van het Drents Archief bevat een volledig overzicht van deze vermeldingen.
In dit overzicht staat niet alleen de plaats van herkomst vermeld van de opvarenden, maar ook hun functie, de naam van het schip waarop ze uitgevaren zijn, de naam van het eventuele schip waarop ze teruggekeerd zijn naar Nederland, de periode van het VOC-dienstverband, de plaats waar ze uit dienst zijn gegaan, en de reden waarom ze uit dienst zijn gegaan. In totaal hebben we 67 verschillende Drentse plaatsen van herkomst onder de VOC-opvarenden kunnen achterhalen.

Het overzicht laat overwegend Drentse matrozen en soldaten zien. Dit is niet verrassend, aangezien de meeste VOC-dienaren tot deze lagere rangen behoorden. Veel van deze Drenten ‘repatrieerden’ uiteindelijk, wat betekent dat ze na hun terugkeer in Nederland weer uit hun dienstverband traden. Van anderen is het niet bekend waar ze geëindigd zijn, en is alleen de plaats van de laatste vermelding genoemd. Bij de grootste groep van de uitgevaren Drenten staat vermeld dat ze overleden waren. Soms overleden ze tijdens de zeereis. Meestal overleden ze tijdens hun dienstverband in Zuid-Afrika of Azië. Ook dit was in lijn met het gemiddelde sterftecijfer onder VOC-dienaren. De dreiging van ziekte en oorlog (zowel met de andere koloniale machten als met verschillende Aziatische koninkrijken en gemeenschappen) maakte een VOC-dienstverband zeer risicovol. Met name de lagere rangen werden niet zelden vervuld door lieden uit de Republiek die een kansarme achtergrond met weinig alternatieven achter zich hadden gelaten.
Gezien de eerder genoemde statistieken over slavernij onder de VOC is de kans groot dat een aanzienlijk deel van de Drenten die hun dienstverband overleefden, of misschien zelfs vrijwillig in de Nederlandse koloniën in Azië achterbleven, niet alleen in aanraking kwamen met slavernij maar er zelf ook actief aan deel hadden genomen. Naarmate we de Drentse VOC-dienaren met hogere functies bekijken, zoals bijvoorbeeld de (onder)koopmannen, wordt dit nog waarschijnlijker. Veel van de Drenten uit deze lijst zouden daarom een geschikt beginpunt kunnen zijn voor vervolgonderzoek. Enerzijds om te achterhalen wat ze in deze gebieden hebben gedaan. Anderzijds om na te gaan wat ze eventueel terug genomen hebben naar Nederland en Drenthe.
Drentse predikanten in Zuidoost-Azië
Het is ook de moeite waard om te kijken naar Drentse predikanten die uitgezonden werden naar de Nederlandse koloniën in Zuidoost-Azië. Naast een handelsonderneming en militair middel was de VOC namelijk ook een protestants instrument in de strijd tegen de katholieke Portugezen en Spanjaarden.11 Naast vrije Aziaten en Afrikanen bekeerde en doopte de protestantse kerk in de VOC-gebieden – mits voorafgegaan door toereikend onderwijs en belijdenis – ook slaafgemaakten. In 1644 werden in Batavia bijvoorbeeld 59 ‘Compagniesslaven’ en 46 slaafgemaakten werkzaam voor particulieren gedoopt. Rond 1700 werden gemiddeld enkele honderden slaafgemaakten per jaar gedoopt.12 Het tot het christendom bekeren van slaafgemaakten had gevolgen. Een VOC plakkaat van 1622 verbood het christelijke slavenhouders bijvoorbeeld om slaafgemaakten te verkopen aan moslims, katholieken, of ‘heidenen’. Voor de slaafgemaakten betekende doop na belijdenis het recht een christelijk huwelijk te sluiten en het recht de eigen kinderen te laten dopen.13 Tegelijk waren deze predikanten VOC-dienaren met aanzien. Ook in hun huishoudens werkten hoogstwaarschijnlijk slaafgemaakten. In de negentiende eeuw bestond de VOC niet meer, maar de slavernij in Nederlands-Indië bestond nog wel. Daarom zijn ook de uitgezonden predikanten van de negentiende eeuw relevant wanneer we het over slavernij hebben.
Het Biografisch Woordenboek van Oost-Indische Predikanten van Caspar Adam Laurens van Troostenburg de Bruyn uit 1893 vermeldt een viertal uitgezonden predikanten die in Drenthe waren geboren.
Dominicus Sel, geboren in Wapserveen in 1679, reisde in 1712 als predikant op het schip Arion af naar de Indonesische archipel.14 Hier nam hij plaats in de kerkenraad van Batavia (Jakarta). In 1713 werd hij naar Ternate overgeplaatst. Het contact met de lokale bevolking hier verliep waarschijnlijk moeizaam, aangezien hij aanvankelijk nog geen Maleisisch verstond. In 1715 of 1716 bezocht hij kerken en scholen op Celebes (Sulawesi), Sangir Sjauw (Siau) en Tagulanda. Hij keerde terug naar Nederland in 1725.15
In hetzelfde jaar als Dominicus Sel werd ook Johannes Boekenberg (niet bekend wanneer geboren en overleden) uitgezonden. Hij was als zoon van een predikant geboren te Vledder in Drenthe, maar het is niet bekend in welk jaar dit was. Hij had theologie gestudeerd in Groningen, en was van 13 september 1703 tot 1710 predikant geweest in het leger. Hij woonde in Zuidwolde toen hij in 1712 werd uitgezonden om te dienen als predikant voor de VOC. In 1714 kwam hij aan in Batavia (Jakarta). Hij kreeg hier de verantwoordelijkheid voor de kerkelijke visite op de oostkust van Java. In 1715 vertrok hij naar de Banda-eilanden. Hij was hier eerst actief op ‘Poeloe Aij’ (Pulau Ai), en een jaar later op ‘Lonthoir’ (Banda Besar). In 1729 werd hij overgeplaatst naar het eiland Onrust, om vervolgens in 1730 te gaan prediken voor de Portugese gemeente van Batavia.16
Later in de achttiende eeuw vinden we Jan Willem Snethlage, geboren in Westerbork. Hij werd op 8 april 1771 door de classis van Amsterdam bevestigd als predikant die uitgezonden zou worden naar Batavia (Jakarta). Hij bereikte zijn bestemming echter niet, aangezien hij onderweg was overleden bij Kaap de Goede Hoop in 1772. Uiteindelijk was het zijn zoon Henricus Snethlage, geboren in Vries, die in zijn voetsporen zou treden. Hij vertrok vanuit Nederland in 1779, en werd uiteindelijk aangesteld als predikant op Ambon. Hier bleef hij tot zijn overlijden in 1790 of 1793.17
Ten slotte vinden we in 1829 godsdienstonderwijzer en ziekentrooster Hendrik Busch uit Meppel, die uitgezonden werd naar ‘de Oost’ om hier als hulpprediker aan de slag te gaan. Busch was uitgezonden namens het Nederlandsch Zendeling Genootschap (NZG). Het NZG was opgericht in 1798, en had als doelstelling de “voortplanting en bevordering van het Christendom, bijzonder de heidenen”. Het genootschap was actief in zowel Amerika, Afrika en Azië. De slaafgemaakten in deze gebieden werden soms ook bekeerd en onderwezen in de christelijke godsdienst door predikanten van het genootschap.18 Busch arriveerde aanvankelijk in Batavia (Jakarta), en reisde hierna door naar ‘Soeracarta Solo’ (Surakarta stad) om hier te prediken. In 1830 maakte hij een korte uitstap naar Semarang. Gedurende zijn aanstelling in ‘Solo’ tot 1834 bezocht hij ook nog de Europese christenen van Jogjakarta in Kadoe en Salatiga, en bezocht hij Madioen Patjitan en Ngawie. Een oogontsteking dwong hem uiteindelijk weer terug te keren naar Nederland.19
Drenten uit Zuidoost-Azië
Afgezien van de Drenten in deze gebieden hebben we ook gekeken naar de Drenten uit deze gebieden. Door te kijken in de Drentse doop-, trouw- en begraafregisters van 1600 tot en met 1811 hebben we een aantal aktes gevonden die hier op wijzen. De onderzoeksgids ‘Drenthe en het slavernijverleden’ op de website van het Drents archief bevat een overzicht van deze akten.
Deze aktes zijn een geschikt beginpunt voor verder historisch onderzoek. Met name bij Jan Kiers (1724-1788), die wordt vermeld in meerdere doopaktes uit Meppel uit de tweede helft van de achttiende eeuw, is er een grote kans dat hij tijdens zijn verblijf in Batavia slaafgemaakten in zijn huishouden had.20 Kiers, geboren in Meppel in 1724, werd in 1747 uitgezonden als ‘ondermeester’ van de dienstdoende chirurgijn op het schip De Klevereskerke naar Batavia (Jakarta).21 Hij ging hier aanvankelijk aan het werk in het hospitaal van de stad en maakte in 1755 promotie als Chirurgijn-Majoor der Artillerie. In 1759 nam hij zijn ontslag bij de VOC om als ‘vrijburger’ aan de slag te gaan als stadsapotheker. Hij huwde in 1753 met Aafke Ittema, dochter van dominee Sicco Ittema uit het Groningse Burum die in 1750 als predikant in dienst van de VOC was overgekomen. Jan kreeg tien kinderen met haar, van wie er drie stierven. Toen zijn vrouw na de geboorte van de jongste zoon zelf overleed in 1772 besloot hij terug te keren naar Nederland. Hij keerde in Meppel met aanzienlijk meer rijkdom terug dan waarmee hij vertrokken was, getuige zijn aankoop van onroerend goed in Meppel in 1774, in Dwingeloo in 1776 en 1778, en Smilde in 1781. In 1774 liet hij zelfs een nieuw dubbel woonhuis aan de Kruisstraat in Meppel bouwen. Dit pand bestaat nog steeds en staat tegenwoordig bekend als het ‘Oost-Indische huis’. In 1781 deed hij zijn grootste aankoop toen hij de havezate Oldengaerde kocht. Afgezien hiervan was hij actief in de lokale politiek van Meppel. In 1780 en 1784 werd hij verkozen tot wethouder in het stadsbestuur. Na zijn overlijden in 1788 bevatte zijn nalatenschap, afgezien van de inboedel van zijn verschillende huizen, obligaties ter waarde van ongeveer 100.000 gulden (€ 982.761).22

1 Matthias van Rossum, Kleurrijke tragiek: De geschiedenis van de slavernij in Azië onder de VOC. (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2015) 29-30.
2 Van Rossum, Kleurrijke tragiek, 30-31.; NA 1.04.02, inv.nr. 1434 en 2461.
3 Reggie Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht: Slavernij in Nederlands-Indië. (Amsterdam: Polak & Van Gennep, 2015) 35.
4 Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht, 2015, 60-63.
5 Baay, 101.
6 Ibidem 2015, 130-134.
7 Ibidem, 170-171.
8 Ibidem, 214.
9 Ibidem, 208-210
10 “VOC: Opvarenden, 1699-1794,” Nationaal Archief, 1 December 2024.
11 Leon van den Broeke, “Schip, markt en kerk. De relatie tussen de admiraliteiten, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de West-Indische Compagnie en de kerkelijke deputaten voor de overzeese zaken in de context van slavernij en slavenhandel.” In Kerk, Kolonialisme en Slavernij. Verhalen van een vervlochten geschiedenis. Red. Bente de Leede en Martijn Stoutjesdijk, 28. Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2023.
12 G.J. Schutte, Het Calvinistisch Nederland: Mythe en werkelijkheid (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2000) 61.
13 Schutte, Calvinistisch Nederland, 60-61.
14 “VOC-opvarenden, Voornaam Opvarende: Dominicus”, Nationaal Archief, 1 December 2024. Nationaal Archief, Toegangsnr. 1.04.02 inv.nr. 5629, folionr. 3.
15 C.A.L. van Troostenburg de Bruyn, Biografisch woordenboek van Oost-Indische Predikanten (Nijmegen: P.J. Milborn, 1898), 392.
16 Troostenburg de Bruyn, Biografisch woordenboek van Oost-Indische Predikanten, 39.
17 Troostenburg de Bruyn, 404.
18 E.F. Kruijf, Geschiedenis van het Nederlandsche Zendelingengenootschap en zijne zendingsposten. Groningen: J.B. Wolters, 1894.
19 Ibidem, 76.
20 Doopregister Meppel 70, archiefnr. 0176.01, inv.nr. 70
21 H.J. de Muij-Fleurke, 2023. “Drie passanten op Oldengaerde.” In Oldengaerde: Het verhaal van een havezate en zijn bewoners. Red. Bertus Boivin, 142. Assen: Uitgeverij Koninklijke van Gorcum, 2023.; NA 1.04.02, inv.nr. 6216.
22 De Muij-Fleurke, “Drie passanten op Oldengaerde”, 142-146.

