Spring naar inhoud

Rijstoogst te Soedimara

Drenten in het Atlantische gebied

Drenten in het Atlantische gebied

Om Drenten te vinden in de voormalige Nederlandse koloniën in het Atlantische gebied hebben we onder andere gezocht in de gedeeltelijk bewaard gebleven archieven van de West-Indische Compagnie (WIC). Deze oorspronkelijk in 1621 opgerichte handelsonderneming was gemodelleerd naar de al eerder in 1600 opgerichte VOC. De WIC had het mandaat over West-Afrika en de gebieden waar Nederlanders voet aan de grond wisten te krijgen in Noord- en Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Aanvankelijk fungeerde de WIC onder andere om de oorlogsvoering tegen de Spanjaarden en Portugezen uit te breiden naar deze gebieden. Kaapvaart was een belangrijk onderdeel van deze militaire strijd. Na het einde van de 80-jarige oorlog in 1648 werd dit militaire aspect minder belangrijk en werd het hoofdzakelijk een handelsonderneming verantwoordelijk voor het beheer van de verschillende Nederlandse koloniën in het Atlantische gebied. De WIC ging zich meer richten op de handel in en arbeid van tot slaaf gemaakte Afrikanen. In 1674 werd de handelsonderneming door financiële problemen noodgedwongen ontbonden. De belangen in de voortzetting van de verschillende koloniën en het geld dat verdiend kon worden door middel van de slavernij, waren echter te groot waardoor er een jaar later al een doorstart werd gemaakt met de oprichting van de Tweede West-Indische Compagnie. Deze compagnie bleef bestaan tot 1792. Met name de Tweede West-Indische Compagnie richtte zich hoofdzakelijk op de zogenaamde trans-Atlantische slavenhandel, waarbij tot slaaf gemaakten uit Afrika vervoerd werden naar de koloniën in de Amerikaanse gebieden. Vervolgens werden de met slavenarbeid vervaardigde producten (zoals katoen, tabak, suiker en zilver) vervoerd en verhandeld in Europa. Vanuit Europa vertrokken schepen met handelswaar zoals geweren, buskruit, drank, ijzer en textiel die weer gebruikt werden om slaafgemaakten te kunnen kopen vanuit de Afrikaanse nederzettingen waar de Nederlanders actief waren.1

Volgens de meest recente schattingen hebben Nederlanders ongeveer 600.500 tot slaaf gemaakte Afrikanen naar het Amerikaanse continent getransporteerd. Dit was meer dan 5% van de totale trans-Atlantische slavenhandel in de zeventiende en achttiende eeuw. Ongeveer de helft van deze mensen werd door de WIC zelf verscheept. De rest werd verscheept door particulieren.2 Om zoveel mogelijk geld te verdienen, werden deze schepen doorgaans volgepropt, waardoor de tot slaafgemaakte Afrikanen in mensonterende omstandigheden vervoerd werden. Gemiddeld overleefde zo’n dertien procent van deze mensen de overtocht niet. De sterfkans werd alleen maar groter naar mate hun verblijf op het schip langer was. Ze werden deels verscheept naar de Nederlandse koloniën in Noord- en Zuid-Amerika, maar werden ook vaak doorverkocht aan andere koloniale mogendheden. In de periode van 1662 tot 1713 had de WIC van de Spaanse kroon zelfs het asiento ontvangen, wat neerkwam op het alleenrecht de Spaanse koloniën van slaafgemaakten te voorzien. Mede dankzij het asiento fungeerden Sint-Eustatius en met name Curaçao als de belangrijkste doorvoercentra van slaafgemaakten in de regio in deze periode.3

Afrikaanse familie aan de West-Afrikaanse kust wordt gescheiden door Europese slavenhandelaren. John Raphael Smith. 1791-1792.

Het soort slavernij dat in deze koloniën bestond varieerde van periode tot locatie. De meest voorkomende vorm van slavernij was plantage-slavernij, zoals deze met name in Suriname, Guyana en de Nederlandse koloniën in Brazilië bestond. Hier werden Afrikanen in zeer zware omstandigheden aan het werk gezet om het Europese continent van suiker, koffie en cacao te voorzien. Samen met de mensonterende leefomstandigheden, de extreem zware straffen en vaak voorkomende voedseltekorten zorgde dit voor zeer hoge sterftecijfers. De plantage-economie in deze gebieden was dan ook in niet geringe mate afhankelijk van een voortdurende aanvoer van nieuwe tot slaaf gemaakte Afrikanen om het arbeidsreservoir op peil te houden.4

Witte Europese kolonisten waren hier in de minderheid ten opzichte de slaafgemaakten die er vastgehouden werden. Aangezien de witte Europese minderheid de slaafgemaakte meerderheid uitbuitte en onderdrukte, bestond er onder kolonisten een voortdurende angst voor een slavenopstand met bijbehorende vergeldingen voor aangedaan leed. Deze angst zorgde er mede voor dat slavenhouders een strenge discipline hanteerden. Wetgeving over slavernij werd per kolonie afzonderlijk opgesteld door de desbetreffende aanwezige gouverneur en de lokale raad van plantage-eigenaren. In de praktijk bood de koloniale wetgeving weinig bescherming  aan de slaafgemaakten. Slavenhouders hadden overwegend de vrije hand in hun omgang met hun ‘eigendom’.5 Hoe deze vrije hand in de praktijk werd beoefend is door verschillende ooggetuigen beschreven. De bekendste van deze ooggetuigen was misschien wel John Gabriël Stedman (1744-1797), die in zijn Narrative, of a five years’ expedition, against the Revolted Negroes of Surinam (1796) uitvoerig de wreedheden van de Surinaamse planters beschreef.

"[O]p een van deeze Plantagieneen, genaamt Schoonoort, was ik getuige van eene onmenschelyke vertooning, die ik my niet wederhouden kan te schetsen.

Het slagtoffer deezer onmenschelykheid was een oude Neger van een goed voorkomen, die ten onrecht veroordeeld was, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen. Midden onder de strafoeffening trok hy een mes, en wilde den Opzigter daar mede treffen, maar hier in niet geslaagt zynde, duwde hy het zig zelf verscheide maalen geheel en al in den buik, en viel voor de voeten van zynen geweldenaar neder. Hy stierf 'er egter niet van, en om hem over zyne misdaad te straffen, ketende men hem aan een fournuis, waar op men de Kill-devill [12] overhaalde, ten einde aldaar nacht en dag een geweldig vuur te verdragen, en zoo van ouderdom, of door zyn verschrikkelyk lyden, maar minder schielyk van het een, dan van het ander, om te komen. Zyn geheele lichaam was met bladders overdekt. Hy toonde my zyne wonden al glimlachende; ik antwoordde hem met een zucht en eenige stukken geld. Ik zal dit ongelukkig mensch, in ketenen geboeid, en tot deeze verschrikkelyke foltering verwezen, nimmer vergeten. Al het voortreffelyke en cierlyke, dat ik zag, en het vriendelyk onthaal, dat ik op de Plantagien ontfing, konden den schrikbaarenden indruk, welken dit helsch fournuis op mynen geest maakte, niet uitwisschen."6

Een groep tot slaaf gemaakte Afrikanen arriveert om verkocht te gaan worden. Afbeelding uit 'Reize naar Surinamen en de binnenste gedeelten van Guiana', de in 1799 uitgekomen Nederlandse vertaling van Stedman's verslag. 

De Afrikaanse slaafgemaakten in deze koloniën verzetten zich op verschillende manieren en momenten tegen hun onderdrukking. Afgezien van de meer ‘alledaagse’ vormen van verzet – het  veinzen van ziekte, sabotage, het ontwikkelen van een eigen taal (zoals het Sranantongo in Suriname of het Papiaments op de Antilliaanse eilanden), het in stand houden van Afrikaanse culturele en religieuze gebruiken (zoals ‘winti’ in Suriname) – ontvluchtten slaafgemaakten met name in Suriname regelmatig de plantages om het binnenland in te trekken. Hieruit ontstonden in Suriname de Marron-gemeenschappen, waar de Afrikanen, die hun slavernij hadden weten te ontvluchten, in het door de koloniale overheid lastig bereikbare binnenland hun eigen gemeenschap en cultuur wisten te creëren. In de 18e eeuw liep gemiddeld 10 procent van de slaafgemaakten in Suriname weg van de plantages. Tegen het einde van deze eeuw woonden er ruim 7000 in deze gemeenschappen. Grofweg 45.000 slaafgemaakten werkten rond deze tijd op de plantages of in de huishoudens van de slaveneigenaren.7 Deze Marrons ondernamen rooftochten op de plantages om niet alleen andere slaafgemaakten te bevrijden, maar ook voor materialen, wapens en voedsel. De vrees voor het uitnodigende effect van deze gemeenschappen op andere slaafgemaakten om ook weg te lopen leidde het koloniale gezag er toe meerdere militaire acties te ondernemen om deze gemeenschappen te vernietigen. Deze acties waren in de moeilijk toegankelijke binnenlanden waar de Marrons het terrein beter kenden en zich met guerrilla-tactieken staande wisten te houden, maar beperkt succesvol. Naarmate het verzet van de Marrons een steeds grotere financiële strop werd voor de kolonie, zag het koloniale gezag zich uiteindelijk genoodzaakt vrede te sluiten met de Ndyuka (1760, sindsdien ook de Aukaners genoemd omdat de vrede op plantage Auca werd gesloten), de Saramakaners (1762) en de Matawai (1767). Middels deze verdragen erkende het koloniale gezag de vrijheid van deze gemeenschappen, die in ruil onder andere verplicht waren weggelopen slaafgemaakten van de plantages weer uit te leveren. Een vastgelegde regelmatige levering van goederen door het koloniale gezag diende niet alleen om de rooftochten te ontmoedigen, maar kon ook als drukmiddel dienen voor de uitlevering van weggelopen slaafgemaakten.8 Sinds 1974 wordt in Suriname op 10 oktober, ter nagedachtenis van de vrede op 10 oktober 1760 tussen de Aukaners en de Sociëteit van Suriname, de Dag der Marrons als nationale herdenkingsdag en viering van de vrijheidsstrijd gehouden.

Van links naar recht: de opperpriester, de procureur-generaal, de Granman, en het groot opperhoofd van de Ndyuka Marrons in Drietabbetje (Suriname). Fotograaf: Karl Friedrich Ludwig Eugen Klein. 1918.

Ook waren er meerdere grootschalige slavenopstanden. De opstand in 1763 in de Nederlandse kolonie in Berbice was de eerste grootschalige slavenopstand op het Amerikaanse continent. Onder leiding van Cuffy (of Kofi, overleden 1763) en zijn bondgenoten kwamen de slaafgemaakten in deze regio in opstand. Cuffy was als kind ontvoerd aan de westkust van Afrika door slavenhalers. De opstand begon op plantage Magdalenenburg, en breidde zich snel uit naar andere plantages in de regio. De groep opstandelingen groeide zeer snel van 78 mannen en vrouwen op plantage Magdalenenburg tot zo’n 3000 mensen. Cuffy deed de gouverneur van Berbice het voorstel om Berbice te verdelen tussen de zwarte Afrikanen en de witte Europeanen. Hij nam de moeite om uit te leggen dat de wreedheden van een aantal specifieke plantage-eigenaren de reden was voor de opstand. De opstandelingen zouden voortaan vrij blijven. Het stond de Nederlanders wél vrij om nieuwe slaafgemaakten aan te laten voeren. Uiteindelijk werd de opstand neergeslagen dankzij onenigheid onder de opstandelingen, doelbewuste vertraging in het reageren op Cuffy’s voorstel door gouverneur Wolfert Simon Van Hoogenheim (1730-1794), en militaire versterking vanuit Suriname en Sint-Eustatius. Na meerdere veldslagen waarin meer dan 1800 Afrikanen omkwamen werd uiteindelijk in de zomer van 1764 de gehele kolonie heroverd door de Nederlanders. De rebellenleiders werden ter dood veroordeeld. In Guyana wordt sinds 1966 23 februari, de dag van het uitbreken van de opstand, herdacht als nationale feestdag. Cuffy is één van Guyana’s nationale helden.9

Het 1763 monument in Georgetown (Guyana) memoreert Cuffy als leider van de slavenopstand van Berbice in 1763.

De Franse Revolutie was aanleiding voor meerdere slavenopstanden in het Caribisch gebied, waaronder op Curaçao. Op 17 augustus 1795 lieten de slaafgemaakten van plantage Knip hier aan hun eigenaar weten dat ze niet langer van plan waren te werken. Ze eisten hun vrijheid. Curaçao kwam als belangrijke doorvoerpost en vrijhaven in contact met veel uiteenlopende mensen en ideeën. De leider van de opstand, Tula (overleden in 1795), was hierdoor goed op de hoogte van andere op handen zijnde slavenopstanden in het Caribisch gebied, zoals de sinds 1790 uitgebroken slavenopstand op Saint-Domingue (Haïti). Het nieuws dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vanaf januari 1795 na de bezetting van de Fransen door het leven ging als de Bataafse Republiek – en daarmee de veronderstelling dat de nieuwe overheid de idealen ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ ook in de koloniën zou gaan naleven – had inmiddels ook Tula en zijn bondgenoten bereikt. De meeste zwarte slaafgemaakten van het westelijke deel van het eiland, een groot aantal vrije gekleurde inwoners, en een aantal blanke patriotten (sympathisanten van de Franse revolutie en de Bataafse Republiek) sloten zich aan bij de opstand. Tula en zijn bondgenoten weigerden het algemeen pardon dat het koloniaal gezag ze aanbood, aangezien dit vereiste dat ze zouden terugkeren naar de plantages. De opstand heeft uiteindelijk een maand geduurd. Na afloop werden Tula en zijn bondgenoten ter dood veroordeeld. Sinds 1985 wordt 17 augustus op Curaçao herdacht als ‘Dag van de Vrijheidsstrijd’.10

Tula-monument ‘Desenkadena’ memoreert ontketening in het Parke di Lucha pa Libertat, in Willemstad (Curaçao).

In de negentiende eeuw kwamen Suriname en de Antillen onder het bestuur van de Nederlandse staat te staan. In 1814 werd een verbod op de slavenhandel uitgevaardigd door koning Willem I. Het zou uiteindelijk nog tot 1863 duren voordat de slavernij in Nederlands West-Indië officieel werd afgeschaft. Hierop volgde in Suriname nog een periode van tien jaar ‘staatstoezicht’ waarin de vrijgelatenen verplicht op de plantages moesten blijven werken. Hierdoor vond een de facto afschaffing van slavernij in Suriname pas in 1873 plaats.

Gevonden Drenten in het Atlantische gebied

Afgezien van de archieven van de WIC zochten we naar Drenten in de archieven van de Sociëteit van Suriname en de Sociëteit van Berbice. De Sociëteit van Suriname was in 1683 opgericht om de kolonie Suriname te beheren. Deze onderneming heeft tot 1795 bestaan en kende drie deelgenoten: De West-Indische Compagnie, de familie Aerssen van Sommelsdijck en de stad Amsterdam. De Sociëteit van Berbice was een in 1720 opgerichte onderneming naar het model van de sociëteit van Suriname met het doel om meer geld te verwerven voor de exploitatie en het beheer van de kolonie Berbice aan de noordkust van Zuid-Amerika.

Een aanzienlijk deel van deze archieven is door het Nationaal Archief in Den Haag zowel gescand als getranscribeerd door middel van HTR (Handwritten Text Regcognition). Historicus en programmeur Gerhard de Kok creëerde een zoekmachine waarin de teksten van deze archiefstukken doorzocht kunnen worden.11 Een andere waardevolle bron was de website ‘W.I.C. Geoctroyeerde West-Indische Compagnie’.12 Deze website bevat een doorzoekbaar register van WIC-personeel van 1638 tot en met 1642, en de soldijboeken van Curaçao van 1675 tot en met 1792. Ten slotte is gezocht in de index ‘WIC militairen uitgezonden naar Brazilië 1649-1654’ die op de website van het Nationaal Archief doorzoekbaar is.13

Door te zoeken naar Drentse plaatsnamen in deze verschillende databases hebben we zestig Drenten gevonden die in deze gebieden actief zijn geweest. Dit is een aanzienlijk kleiner aantal dan het aantal Drenten in dienst van de VOC die we hebben kunnen vinden, en dit is goed te verklaren. Enerzijds was de WIC met betrekking tot in ieder geval het personeelsbestand een minder grootschalige onderneming dan de VOC. Anderzijds zijn, zoals eerder vermeld, de archieven van de West-Indische Compagnie maar gedeeltelijk bewaard gebleven. Het is ook belangrijk te benadrukken dat we voor het huidige onderzoek alleen gebruik gemaakt hebben van de archieven die reeds gescand, getranscribeerd of geïndexeerd zijn. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat steeds meer van deze archieven in de toekomst op dezelfde manier toegankelijk gemaakt zullen worden. De onderzoeksgids ‘Drenthe en het slavernijverleden’ bevat een overzicht van de Drenten die we in het Atlantische gebied hebben gevonden.

Herkomst van Drenten in dienst van de WIC

In het overzicht staan onder andere vijftien Drenten die in de periode 1649-1654 waren uitgezonden als soldaat naar Brazilië. De WIC had namelijk van 1630 tot 1654 gedeeltes van de kustgebieden van de Portugese kolonie in het noordoosten van Brazilië veroverd. Onder Portugees bewind werd hier al op grote schaal met slavenarbeid suiker geproduceerd. De Nederlanders namen deze productie en praktijk na hun verovering over. Hierdoor ontstond de eerste Nederlandse koloniale slavensamenleving onder WIC-bewind.14 ‘Nieuw Holland’, de toenmalige naam die de Nederlanders aan deze kolonie gaven, omvatte kustgebieden van de huidige Braziliaanse staten Pernambuco, Paraíba, Rio Grande do Norte, Alagoas, Ceará, Piaui en Maranhão .

De eerste vermelding van een Drent in dienst van de WIC dateert uit 1635. In de notulen van de Kamer Amsterdam van de oude West-Indische Compagnie vinden we een verwijzing naar Johannes Theodorus Polhemus, een predikant uit Meppel, die uitgezonden werd naar Brazilië om daar de Hollandse kerkgemeente bij te staan. Hij deed dit tegen een vergoeding van honderd gulden per maand.15 Polhemus (1598-1676), oorspronkelijk afkomstig uit het Paltz-gebied in Duitsland waar hij waarschijnlijk in 1598 was geboren, was voor hij vertrok naar Zuid-Amerika predikant geweest in Gieten en Meppel. In Brazilië werkte hij vanaf 1636  als predikant in Ithamarica, ten zuiden van Recife.16 Hoewel er in Nederlands-Brazilië geen systematisch bekeringsbeleid werd gevoerd, was de Hervormde Kerk van Recife hierin een opvallende uitzondering. Toen de Portugezen in 1654 de kolonie van de Nederlanders heroverden waren hier zo’n 600 (voormalige) slaafgemaakte Afrikanen gedoopt en lidmaat geworden van de Nederlands Hervormde Kerk.17 Datzelfde jaar vertrok Polhemus naar  Nieuw-Amsterdam (New York) in Noord-Amerika. Hij werd hier de eerste predikant van Lange Eiland (Long Island). Hij bleef hier tot zijn overlijden in 1676. Zowel in Brazilië als Nieuw-Amsterdam had Polhemus slaafgemaakten die werkten in zijn huishouden.18

Theodorus Polhemus, predikant uit Meppel, wordt door de kerkenraad capabel beoordeeld en mag afreizen naar Brazilië.

Drentse predikanten in Suriname

Het is de moeite waard om te kijken naar Drentse predikanten die waren uitgezonden naar Suriname. De plantage-eigenaren hielden hier lange tijd de bekering van de slaafgemaakte bevolking tegen, aangezien dit hun nieuwe rechten zou verlenen en hun drang naar vrijheid alleen maar zou vergroten.19 Tegelijkertijd hadden de gereformeerde predikanten zich te schikken naar de wensen van het koloniale bestuur. Toen het koloniaal bestuur in Suriname in de negentiende eeuw besloot om alsnog een actief bekeringsbeleid richting de slaafgemaakte bevolking te voeren, werd het religieuze onderwijs en de bekering van de slaafgemaakten overgelaten aan de Evangelische Broedergemeente. Deze oorspronkelijk uit Duitsland afkomstige protestantse gemeenschap, ook wel bekend als de Hernhutters of de Moravische broeders, opereerde in Nederland vanuit Zeist. Hierdoor bleef de Nederduits Gereformeerde Kerk in Suriname voornamelijk bestaan uit witte lidmaten.20 De gereformeerde predikanten in Suriname hebben zich door de eeuwen heen op verschillende manieren verhouden tot de slavernij die hier heerste. Veel waren zelf eigenaar van slaafgemaakten en sommigen waren zelfs eigenaar van plantages. Anderen waren kritisch op de slavernij en kwamen hierdoor soms op gespannen voet te staan met het koloniale bestuur.21

Het boek Geschiedenis van Suriname (geschreven door Julien Wolbers, een Utrechtse abolitionist. Zie hoofdstuk 6 over het abolitionisme) bevat een chronologische naamlijst van predikanten die bij de Hervormde Gemeente Suriname actief waren. Hier vinden we twee Drentse predikanten. De eerste predikant wordt als volgt vermeld: “Anno 1743 (Augs.) - Ds. Eggo Tonkens van Hoevenberg. Twee dagen na zijne aankomst krankzinnig geworden, in Mei 1744 naar Holland gezonden, terug gekeerd in April 1749, doch in Junij deszelfden jaars ontslagen en naar Nieuw-Engeland vertrokken.”22 Eggo Tonckens van Hoevenberg (1710-1769) was geboren in Norg en was in 1741 voordat hij uitgezonden werd naar Suriname hulppredikant in de Hervormde Gemeente van Amsterdam.23 Het is onbekend waarom en door wie hij al na twee dagen in Suriname krankzinnig was verklaard. In het Drents Archief ligt een document in het archief van Huis te Westervelde: “Brieven ontvangen door ds. Eggo Tonckens van Hoevenberg van ds. Busch te Finsterwolde betreffende genealogische aangelegenheden, 1768; met bijlagen, 1618-1731.”24 Eggo Tonckens van Hoevenberg was een kleinzoon van Henricus Hoevenberg (1642) en Margaretha (Grietien) Tonckens, die weer de dochter was van Eggo Tonckens (1601-1665). Blijkbaar verbleef hij in 1768 bij zijn familie in Drenthe en in die periode was dit document opgesteld.

De andere Drentse predikant uit de naamlijst begon zijn Surinaamse dienstverband in april 1852: “Ds. Cornelis van Schaick, beroepen van Dwingeloo in Drenthe.”25 Cornelis van Schaick (1808-1874) was geboren in Amsterdam en was in 1833 als hulpprediker actief in Hollandscheveld. Later, na functies als predikant in Hengelo en Amsterdam, keerde hij terug naar Drenthe als predikant in Dwingeloo. Van Schaick was een actieve schrijver die tijdens zijn verblijf in Drenthe onder andere heeft geschreven voor de Drentsche Volksalmanak. Blijkbaar had hij veel belangstelling voor de geschiedenis van Dwingeloo. Ook was hij geïnteresseerd in het specifieke Drentse dialect dat in Dwingeloo werd gesproken. Zijn aantekeningen hierover zijn gebruikt in het samenstellen van het Woordenboek van het Drents van Dwingeloo uit 1996.26 Na zijn verblijf in Drenthe vertrok hij in 1852 naar Paramaribo, waar hij tot 1861 zou blijven. In Suriname bleek van Schaick opnieuw een ijverig dichter en schrijver. Hij was redactielid van West-Indië, een tijdschrift dat hij had helpen oprichten. Ook schreef hij proza en gedichten voor het Surinaamsch Weekblad, de Surinaamsche Courant en het Gouvernements Advertentie Blad.27

Van Schaick was zijn hele leven lang geïnteresseerd in de lokale cultuur en de lokale gebruiken van de plekken waar hij actief was. Dit gold niet alleen voor Dwingeloo, maar minstens zo veel voor Suriname en het leven en de taal van de slaafgemaakten in de kolonie. Vanuit dit oogpunt is zijn meest interessante publicatie de roman De Manja: familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven uit 1866.28 De roman speelt zich af in het Suriname van 1836 en vertelt het verhaal van de vrouwelijke slaafgemaakte Rosalie, de ‘familie L.’ waar ze voor werkt en de andere slaafgemaakten die voor dezelfde familie werken. Rosalie heeft een bevoorrechte positie, wat leidt tot jaloezie van de andere slaafgemaakten. Ze is de persoonlijke verzorger van Mathilde, de favoriete dochter van de de vader van het gezin, ‘overste L.’. Nadat ‘overste L’ tijdens een feestelijke gelegenheid plotsklaps Rosalie in haar gezicht slaat nadat ze hem informeert dat er geen wijn meer is, besluit ze wraak te nemen. Rosalie wikkelt de ‘manja’ (mango) die Mathilde dagelijks van haar krijgt vooraf in de doeken van een lepra-patiënt. Mathilde krijgt niet lang hierna lepra en overlijdt uiteindelijk aan haar ziekte. Rosalie had inmiddels al haar vrijheid gekregen, maar biechtte haar genomen wraak op haar sterfbed uiteindelijk nog op tegenover de moeder van het gezin, ‘mevrouw L’.

De Manja: Familietafereel uit het Surinaamsche Volksleven. Cornelis van Schaick. 1866

De Manja is niet alleen een bijzonder boek omdat het kritisch was op de slavernij, maar ook omdat het dialogen in het Sranantongo bevat en een gedetailleerde blik geeft van het Surinaamse plantageleven.29 Tegelijk moet dit boek ook in de tijdsgeest gezien worden waarin het is geschreven. Veel van de beschrijvingen van de slaafgemaakten zijn racistisch en paternalistisch. Ook contrasteert het boek de ‘milde’ omgang met de slaafgemaakten door ‘familie L.’ met de wrede omgang met de slaafgemaakten op de plantage die de familie in het boek bezocht.

1 Henk den Heijer, Goud, ivoor en slaven. Scheepvaart en handel van de Tweede West-Indische Compagnie op Afrika, 1674-1740 (Zutphen: Walburg Pers, 1997), 116-126.
2 Henk den Heijer, De geschiedenis van de WIC (Zutphen: Walburg Pers, 2007) 151.
3 “SlaveVoyages,” SlaveVoyages, 1 December 2024.
4 Marjoleine Kars, 2023. “Kolonialisme, slavernij en slavenhandel in Berbice, Demerara en Essequibo,” In Staat & Slavernij: Het Nederlandse koloniale slavernij-verleden en zijn doorwerkingen. Red. Rose Mary Allen, Esther Captain e.a., 255. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2023.
5 Marjoleine Kars, “Kolonialisme, slavernij en slavenhandel in Berbice, Demerara en Essequibo,” 255.
6 John Gabriël Stedman, Reize naar Surinamen, en door de binnenste gedeelten van Guiana. (Amsterdam: Johannes Alart, 1799).; Zie: Project Gutenberg, 19-12-2024.
7 Leo Dalhuisen, Maurits Hassankhan, Frans Steegh (red.), Geschiedenis van Suriname (Zutphen: Walburg Pers, 2007), 65.
8 Hans Buddingh, Geschiedenis van Suriname. Uitgebreide editie (Amsterdam: Rainbow, 2021), 136-137.
9 Karin Amatmoekrim, “Deze dappere man leidde de eerste grote opstand tegen de Nederlandse slavernij”, De Correspondent, 09-02-2025, Zie voor een diepgravende geschiedenis over deze opstand met onder meer opgeschreven getuigenissen van opstandelingen: Marjoleine Kars, Bloed in de rivier: Het onbekende verhaal van de massale slavenopstand in een Nederlandse kolonie. Amsterdam: Uitgeverij Atlas, 2021.
10 Charles P. do Rego, “Tula, inspiradó: De vrijheidsidealen van een Curaçaose verzetsstrijder”. In Tula: De slavenopstand van 1795 op Curaçao, 27-35. Red. Artwell Cain. Amsterdam: Amrit/Ninsee, 2009.
11 Doorzoek koloniale archieven!” Gerhard de Kock, 1 December 2024.
12W.I.C. Geoctroyeerde West-Indische Compagnie”, Tiemen Bosma, 1 December 2024.
13West-Indische Compagnie (WIC): militairen uitgezonden naar Brazilië, 1630-1654,” Nationaal Archief, 1 December 2024. 
14 Erik Odegard, “Nederlands Brazilië tussen 1630 en 1654” in Staat & Slavernij, 275-277.
15 Nationaal Archief, Toegangnr. 1.05.01.01, inv.nr. 14, folionr. 194 en 197.
16 Leendert Jan Joosse, Geloof in de Nieuwe Wereld: ontmoetingen met Afrikanen en Indianen (1600-1700) (Kampen: Kok, 2008), 449-485.
17 Katharine Gerbner, Christian Slavery: Conversion and Race in the Protestant Atlantic World (Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 2018), 26
18 Joosse, Geloof in de Nieuwe Wereld, 552.
19 Maurice San A Jong, “De rol van de vrijheidsmissie in de vrijheidsstrijd van de slaafgemaakten in de kolonie Suriname: Van de Kan Katrieboom naar het kerkgebouw.” In Kerk, Kolonialisme en Slavernij: Verhalen van een vervlochten geschiedenis. Red. Benthe de Leede en Martijn Stoutjesdijk, 83. Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2023.
20 Maurice San A Jong, “De rol van de vrijheidsmissie in de vrijheidsstrijd van de slaafgemaakten in de kolonie Suriname”, 85-86.
21 Zie bijvoorbeeld de Surinaamse predikanten genoemd in: Dienke Hondius en Niek Hemmen, Gids Kerk en Slavernijverleden: Een eerste verkenning. Edam: Uitgeverij LM Publishers, 2023.
22 Julien Wolbers, Geschiedenis van Suriname (Amsterdam: Emmering, 1861), 847
23Amsterdam HG 1728-1877”, Dominees.nl, 19-12-2014. 
24 Drents Archief, Toegangsnr. 0615, inv.nr. 433
25 Wolbers, Geschiedenis van Suriname, 848.
26Cornelis van Schaick”, Geheugen van Drenthe, 19-12-2024.
27 Carl Haarnack, “De Manja. C. van Schaick (1866)”, Buku – Bibliotheca Surinamica, 19-12-2024. 
28 C. van Schaick, De manja. Familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven. (Arnhem: D.A. Thieme, 1866); Auteursrechtvrij.
29 Haarnack, “De Manja. C. van Schaick (1866)”