
Drenten over slavernij
Er kan op verschillende manieren gekeken worden naar het slavernijverleden. Afgezien van de financiële en materiële dimensie, is er de mentale dimensie. Het tot slaaf maken van mensen was immers in strijd met het zelfbeeld van de vrije Republiek tegenover het tirannieke Spanje. In de beginjaren van de Tachtigjarige oorlog diende de slavernij in de Spaanse koloniën nog als effectieve oorlogspropaganda. Later werd dit lastiger vol te houden toen de Republiek halverwege de zeventiende eeuw na Groot-Brittanië zelf het op één na grootste aandeel had verworven in de trans-Atlantische slavenhandel. Deze tegenstrijdigheid diende te worden opgelost, en dit kon gedaan worden door de slavernij desondanks te rechtvaardigen of door de slavernij te verwerpen. Daarom waren er in Nederland gedurende de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw meerdere mensen die zich uitspraken over slavernij. In Drenthe zijn hier ook voorbeelden van te vinden.

Johan Picardt
In de protestantse godvrezende Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van de zeventiende eeuw waren het voornamelijk de theologen en predikanten die zich geroepen voelden zich uit te spreken over slavernij. Als we kijken naar Drenthe, dan komen we al snel uit bij Johan Picardt (1600-1670).
Picardt werd geboren in 1600 als zoon van een calvinistische predikant aan het hof van de Graaf van Bentheim. Na het afronden van het gymnasium Arnoldinium in Steinfurt liet hij zich in 1620 als theologie-student inschrijven aan de academie van Franeker, om vervolgens in 1622 naar Leiden te verhuizen om zijn studie af te ronden. Van 1623 tot en met 1642 predikte en woonde hij in Egmond aan Zee. Hier trouwde hij in 1625 met Rocha van Brederode, erfdochter uit een aanzienlijke Haagse regentenfamilie. In 1643 werd hij aangesteld als predikant te Rolde, waar hij de volgende vijf jaar vanuit zijn verblijf in Rhee naar op en neer reisde. Coevorden werd in 1648 zijn laatste aanstelling en verblijf tot zijn overlijden in 1670.1
In 1660 verscheen zijn bekendste publicatie met de titel Korte Beschryvinge Van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen Gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Met herdrukken in 1731 en 1745 zou Antiquiteten tot 1856 het enige geschiedenisboek over Drenthe blijven.2

Aan het begin van het boek besprak Picardt de herkomst van de verschillende volkeren van de wereld, die allen teruggevoerd werden naar Sem, Cham en Jafeth, de drie zonen van Noach. Volgens Picardt waren alle ingezetenen van Europa de kinderen van Jafeth. Zowel deze erfenis als de erkenning van de ene ware God hadden Europa in zijn ogen onder andere begenadigd met een overvloed aan geleerde mannen, kunstenaars, dappere helden en strijdbare mannen “welke luyster sich verspreyt heeft tot aen het eynde der aerde”. Europa had in zijn ogen “meer gedomineert […] over Asiam / Africam en Americam / als alle dese drie geheerscht hebben over een Europam!” Hij concludeerde: “Europa is een Coninginne over Asiam / Africam en Americam.”3
De reden voor deze Europese dominantie kon volgens Picardt teruggevoerd worden op de bijbelpassage Genesis 9:20-27. Cham trof hier zijn vader dronken en naakt aan en bedekte hem niet. Sem en Jafeth zagen hun vader vervolgens ook en bedekten het lichaam van hun vader alsnog. Toen Noach later ontwaakte besloot hij de zoon van Cham, Kanaän, te vervloeken om zijn andere broers voortaan tot slaaf te zijn als straf voor het feit dat Cham de naakte Noach niet bedekt had.

Picardt had aan het begin van zijn boek al de ‘Kanaanieten’, ‘Filistijnen’, Arabieren, ‘Numibiërs’ en ‘alle Mooren in Africa’ teruggevoerd op de nakomelingen van Cham. In zijn ogen was het lot van Afrika onlosmakelijk verbonden met de slavernij waar deze volkeren tot veroordeeld waren. Picardt rechtvaardigde de praktijk van slavernij als natuurlijk en wenselijk voor inwoners van het continent:4
Letten wy op Cham en zijne nakomelingen / al zijnse machtige natien geworden / hoe seer heeft evenwel de slavernij op haer geheerscht! Zijn niet de meeste Africanen doorgaens geweest slaven hunner koningen? een groot gedeelte der selviger zijnse niet noch heden slaven der Turcken? Den inwoonderen van Congo, Angola, Guinea, Monomotapa, Bagamidri, &c. zijn het niet der slaven nesten / waer uyt soo veel herwaerts en derwaerts gesleept / verkocht / en tot alle slaef-achtige wercken gebruyckt werden? Dese menschen zijn alsoo genaturaliseert/ soo wanneer zy in vryheydt ghestelt / of lieftalligh gekoesterd werden / soo en willen zy niet deugen / en weten haer zelfs niet te gouverneren: maer by aldien men geduerigh met rottingen in hare lenden woont / en dat men de selvige t’elckens sonder genade bastoneert / soo heeft men goede diensten van de selve te verwachten: alsoo dat hare welvaert bestaet in slavernije.
De veronderstelde connectie van de vloek van Cham met Afrikanen komt voor uit een associatie met het gelijk klinkende Hebreeuwse woord voor zwart: ‘Chum’. Hieruit werd vervolgens afgeleid dat de vloek zijn zoon Kanaän blijkbaar zwart gemaakt zou hebben. Deze interpretatie werd in de zeventiende eeuw al bekritiseerd door verschillende theologen. Picardt was desondanks niet de enige of eerste predikant die zich in de Republiek van de zeventiende eeuw had uitgesproken over de rechtmatigheid van slavernij. Ook was hij niet de eerste die het fenomeen slavernij verbond aan de vloek van Cham of aan het Afrikaanse continent. Wel was hij – voor zover bekend in de literatuur – de eerste die de vloek specifiek aanwendde om het tot slaaf maken van Afrikanen te rechtvaardigen. Godefridus Cornelisz Udemans (1581-1649) hanteerde in zijn ‘t Geestelyck Roer van ‘t Coopmans schip (1638) bijvoorbeeld al een vergelijkbare indeling van volkeren gebaseerd op de drie zonen van Noach, maar verzette zich expliciet tegen het argument dat op deze gronden Cham’s nakomelingen uit Afrika tot slaaf gemaakt mochten worden. Het is aannemelijk dat de door Picardt gebruikte rationalisering van slavernij ten tijde van Udemans onder leken en slavenhandelaren al wel in omloop was. Udemans vond het fenomeen slavernij alleen te gedogen, wanneer er sprake was van ‘ongeloof’ en daardoor dus ook ‘geestelijke slavernij’. Hun ‘tijd Gods’ moest in zijn ogen alleen nog komen. Enkele jaren na het boek van Picardt publiceerde Johannes de Mey (1617-1678) uit Middelburg Korte bedenckinghe Over het koopen en de verkoopen der menschen (1664), een essay waarin hij de gedachte verwierp dat sommige volkeren van nature slaaf waren. Vanaf het einde van de zeventiende eeuw werd de vloek van Cham weliswaar in toenemende mate gehanteerd als rechtvaardiging van de slavenhandel door WIC-bewindhebbers en enkele geestelijken. Het is echter opvallend dat ook een latere theoloog als Jacobus Capitein (1717-1747) in zijn tekst Staatkundig- Godgeleerd Onderzoekschrift over De Slaverny, als niet strydig tegen de Christelyke Vrijheid (1742) zijn legitimatie van slavernij niet op raciale gronden beargumenteerde. Capitein was namelijk zelf zwart, was in Afrika geboren en had voor zijn komst naar de Republiek ook in slavernij verkeerd.5
Coenraad Wolter Ellents Hofstede
Ondanks deze kritiek van tijdgenoten, waren ideeën over slavernij zoals die van Picardt zeer hardnekkig. Hoe hardnekkig deze denkbeelden waren blijkt wel als we later vergelijkbare argumenten tegen komen. In het archief van Johannes van den Bosch (tevens de initiator van de Maatschappij van Weldadigheid, zie hoofdstuk 4) in het Nationaal Archief in Den Haag is namelijk een brief uit 1838 te vinden aan hem geadresseerd door de Drent Coenraad Wolter Ellents Hofstede vanuit Demerary.6 We bespraken in hoofdstuk 3 hoe Hofstede in 1821 was vertrokken richting Demerary, nadat hij financiële problemen kreeg in Nederland.
Hofstede sprak het verlangen uit zijn vaderland tot nut te zijn en Van den Bosch in zijn rol als Minister van Koloniën van het nodige advies te voorzien. Hij wilde de koloniën in Suriname en de Antillen behoeden voor wat hij zag als de ruïneuze gevolgen van de afschaffing van de slavernij in het Britse Guyana waar hij zelf woonde. Deze afschaffing in 1833 had volgens Hofstede namelijk desastreuze gevolgen gehad. Het daar gehanteerde systeem van ‘apprenticeship’ ofwel staatstoezicht had in zijn ogen niet het beoogde effect gehad. Na het aflopen van de periode van ‘apprenticeship’ in 1838 weigerden de vrijgemaakten volgens Hofstede nog te werken, afgezien van wat voor hun eigen directe levensonderhoud noodzakelijk was. Als verklaring hiervoor wees hij naar het in zijn ogen unieke karakter van de tot slaaf gemaakte Afrikanen die werkzaam waren op de plantages:
Gedurende zijne Slavernij, is hij verplicht, om naarstiglijk te werken, ten voordeele van Zijne Meester, en hieraan word door hem voldaan, Zelfs niet ongaarne, want hij beschouwt het voordeel van zijn Meester, min of meer als zijn eigen -
Doch, bekoomt hij zijn Vrijdom, en word hij aan Zich zelve overgelaten, Zoo word hij Zorgeloos, onverschillig, traag en luy, weigert te werken, geeft zich aan dronkenschap en andere ondeugden over; en is voor de Maatschappij van weinig nut.”
Volgens hem zou onvoorwaardelijke emancipatie onvermijdelijk leiden tot werkweigering of in ieder geval werkvermindering, wat de kolonie zou ruïneren. Hij vervolgde zijn brief met aanbevelingen voor een eventuele toekomstige afschaffing van de slavernij in Suriname en de Antillen. Hoewel hij zich niet wilde branden aan de kwestie of het eigenlijk wel rechtvaardig zou zijn om de voormalige eigenaars vanwege hun ‘verlies’ te compenseren, schatte hij wel in dat een budget van zo’n tien miljoen gulden (€ 113.615.558) een afschaffing zou moeten kunnen bekostigen. Verder adviseerde Hofstede om de vrijheid van de vrijgemaakten ook na de afschaffing te blijven beperken:
Ik zou beginnen, om vooraf de Plantagie Slaven met hunne familie aan de gronden van den Eigenaar te attacheren, en glebae adscriptos te maken, om voornamelijk daardoor te verhinderen, dat zij zich in het vervolg van de eene plantagie na de andere, niet zouden kunnen verhuren of dezelve willekeurig verlaten
Ze moesten vervolgens verplicht worden om op de plantages te blijven werken, voor wat Hofstede als een passend loon zag. In Hofstedes visie zou slavernij de facto opgevolgd moeten worden door plaatsgebonden dwangarbeid, zodat de planters enerzijds verzekerd bleven van arbeidskrachten en de vrijgemaakten anderzijds met de structuur en dwang zouden blijven leven die ze in zijn ogen nodig hadden. Hofstede sloot met zijn betoog (wellicht bewust) nauw aan bij ideeën die Van den Bosch zelf al in eerdere geschriften kenbaar had gemaakt. Van den Bosch had zelf geschreven over wat hij zag als het zedelijk verval onder de vrijgemaakten, en over de noodzaak om deze vrijgemaakten met de juridische onderbouwing van ‘inscripti glebae’ aan de plantages te binden.
Ter onderbouwing van zijn betoog zond Hofstede in 1838 een officieel Engelstalig rapport naar Den Haag over de werksituatie in Brits Guyana nu de ‘apprenticeship’ was afgelopen. Zo werd melding gemaakt van de inzetbaarheid van de vrijgemaakte arbeiders op plantage Gelderland: “Indifferently for a great part idle; not more than two thirds of the able people work.” Plantage Broer’s Lust liet volgens het rapport een vergelijkbare situatie zien: “Indifferently; the most of the time idle, making only half days labour.” Op plantage De Resolutie was de situatie niet anders: “Fonder of fishing than of agriculture…” En de indruk werd gewekt dat de situatie op plantage Ma Retraite zelfs vijandig begon te worden: “Very bad indeed… and very insolent.”7 Hofstede wilde Van den Bosch duidelijk maken wat de Nederlandse koloniën te wachten stond indien zijn voorstellen niet opgevolgd zouden worden.
De brief en het rapport zijn niet in een lade verdwenen, maar werden later nog besproken in een rapport uit 1855 van de staatscommissie die de opdracht had gekregen onderzoek te doen naar slavernij en de mogelijke afschaffing hiervan in de Nederlandse koloniën. Het voorstel van Hofstede werd in het rapport besproken als één van de ontwerpen en beleidsvoorstellen die in eerdere jaren bij de regering waren binnengekomen over de (on)wenselijkheid en beoogde methodes van een toekomstige afschaffing. In het rapport is te lezen dat koning Willem I, nadat hij kennis had genomen van het verhaal van Hofstede, Van den Bosch had verzocht nader onderzoek te laten doen. Van den Bosch antwoordde dat de invloed van de afschaffing van slavernij in de Engelse koloniën op het weglopen van de slaafgemaakten van de plantages in Suriname overschat werd. Het ontstaan van de Marron-gemeenschappen in de Surinaamse binnenlanden had immers niet op grote schaal dit gevreesde effect gehad. Hij vond echter ook dat een afschaffing voorbarig was, zolang niet was aangetoond dat de landbouwgronden naar tevredenheid bewerkt konden worden met vrijgemaakten. Wel diende het lot van de slaafgemaakten in de tussentijd zoveel mogelijk verzacht worden. In zijn ogen was dit al meer dan een eeuw op een vergelijkbare manier gedaan in de Aziatische koloniën, “en nimmer zijn daarvan nadeelige gevolgen bespeurd.”8
Andere besproken voorstellen uit het rapport kwamen onder andere van de gouverneur-generaal van de Nederlandse koloniale bezittingen in Suriname en de Antillen Julius Constantijn Rijk (1787-1854), de gouverneur van Suriname Reinier Frederik Baron van Raders (1794-1868) en de bisschop van Curaçao Martinus Joannes Niewindt (1796-1860).9 De Nederlandse regering had geen gebrek aan adviezen vanuit de koloniale elite over wat er met de slaafgemaakten gedaan moest worden. Hun belangen waren dan ook goed vertegenwoordigd in de maatregelen die de commissie voorstelde in het rapport. Er mocht namelijk geen massale emancipatie van de slaafgemaakten plaatsvinden vanuit de overheid zonder dat hier een schadeloosstelling van de eigenaren bij kwam kijken. De vrijgemaakten dienden ook voor zover mogelijk de staat terug te betalen voor de gemaakte kosten van hun vrijlating onder voorwaarden vastgesteld door de overheid.10 De uiteindelijke afschaffing van de slavernij in Suriname en de Antillen in 1863 en de tien jaar aan staatstoezicht die hierop volgde in Suriname was in lijn met dit advies.
Abolitionisme
Nederlandse kritiek op slavernij bestond al zolang er door Nederlanders aan slavernij werd gedaan. Vanaf de negentiende eeuw kreeg deze kritiek een georganiseerd karakter. In de negentiende eeuw zijn ook een aantal Drenten te vinden die onderdeel waren van bewegingen die riepen om de afschaffing van de slavernij. Deze bewegingen vielen onder wat het abolitionisme werd genoemd. Onder deze stroming, die oorspronkelijk was ontstaan in Engeland, konden soms ook andere thema’s geschaard worden, zoals het willen verbieden van alcohol en prositutie.11 Binnen dit hoofdstuk bedoelen we met abolitionisme alleen de stroming die zich tegen de slavernij keerde. In Nederland werd het abolitionisme pas in de jaren 1840 een landelijk georganiseerde beweging.12 Dit georganiseerde abolitionisme had twee verschillende stromingen die beiden een andere basis hadden voor hun argumenten. De ene stroming hoorde bij het liberalisme terwijl de andere zich baseerde op christelijke ideeën.13 Voor de christelijke stroming – voortkomend uit de protestantse Réveil-beweging – waren de wreedheden binnen het slavernijsysteem en het feit dat het bekeren van mensen effectiever was wanneer ze vrij waren de belangrijkste reden om de slavernij af te schaffen.14 Voor de liberale stroming werd slavernij ook als een moreel probleem beschouwd, maar werd het verder nog gekoppeld aan liberaal-economische argumenten. Vrije arbeid zou meer moeten opleveren dan onvrije arbeid.15

In Utrecht werd in liberale kringen een uitgeversvereniging opgericht met het bijbehorende tijdschrift Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën, bijzonder betrekkelijk de vrijlating der slaven (Bijdragen).16 Het tijdschrift had als doel de lezer te informeren over slavernij en om te pleiten voor de afschaffing van de slavernij. Het tijdschrift heeft bestaan van 1843 tot 1848.17 Na 1848 bleef het in de abolitionistische hoek enkele jaren relatief stil tot in 1853 het boek De Negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika van Harriet Beecher Stowe in Nederland verscheen en veel losmaakte. Het motiveerde orthodox-protestantse mannen om een maatschappij op te richten: de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij (NMBAS).18 Er werd een gelijknamig maandblad opgericht dat later een tijdschrift werd.
Er waren in dezelfde periode ook abolitionistische vrouwen. In 1840 werd in Rotterdam bijvoorbeeld het Ladies Anti-Slavery Committee opgericht. De naamgeving was te danken aan de prominente invloed van Britse abolitionisten gelieerd aan de Engelse kerk in Rotterdam. Zowel Réveil-aanhangers als vrouwen uit liberale kringen behoorden tot dit comité. In 1842 vaardigden ze een petitie uit aan de koning om te pleiten voor de afschaffing van de slavernij die door 128 vrouwen werd ondertekend.19 In de jaren 1850 was er nog het ‘Adres van vrouwen aan den Koning, ter afschaffing der slavernij’ uit 1855, ondertekend door 733 Amsterdamse vrouwen. De petitie was het initiatief van Elisabeth Looman-Ketelaar, vrouw van de protestantse dominee T.M. Looman van de Amsterdamse Réveil-kerk. In hetzelfde jaar richtte de Amsterdamse Anna A. Bergendahl (1827-1899) samen met haar zus Charlotte het Dames-Comité ter bevordering van de Evangelie-verkondiging en de Afschaffing van de Slavernij in Suriname op. Dit comité deed onder andere aan geldinzameling om slaafgemaakten vrij te kunnen kopen.20

We hebben de namen van vier Drenten kunnen achterhalen die aan het Nederlandse abolitionisme hebben deelgenomen. De liberale uitgeversvereniging was verantwoordelijk voor Bijdragen had twee Drentse leden.21 In de lijst van uitgevers in de laatste editie van het tijdschrift stond de woonplaats Assen achter de naam van twee heren vermeld. Dit waren: Lucas Oldenhuis Gratama, ten tijde van zijn vermelding in Bijdrage plaatsvervangend kantonrechter in Assen, en Pedro Wijnand Alstorphius Grevelink, lid van de Rechtbank in Assen.22 Daarnaast telde de NMBAS maar liefst zeventien Drentse leden.23 Twee van de zeventien leden konden worden geïdentificeerd aan de hand van hun vermelde Drentse woonplaatsen. Dit waren Jan Tijmens Homan24 en Cornelius Johannes de Brutel de la Rivière.25 Zij inden de contributie van deze regio en woonden respectievelijk in Meppel en Assen.
We hebben vooralsnog niet kunnen achterhalen wie de andere Drentse leden van het NMBAS waren. Mogelijk kan vervolgonderzoek in het Réveil-archief nog uitsluitsel geven over hun identiteit. Het Réveil was de orthodox-protestantse beweging waar veel mannen van het NMBAS onderdeel van waren. Het archief van deze beweging wordt beheerd door de Allard Pierson Stichting in Amsterdam. De archiefstukken zijn hier alleen op locatie in te zien. De beheerders van het Reveil-archief konden niet bevestigen of er wel of niet een ledenbestand van de NMBAS in het archief aanwezig is.
Lucas Oldenhuis Gratama
Lucas Oldenhuis Gratama (1815-1887) kwam uit een vooraanstaande Drentse familie en was lid van de exclusieve Asser Heerensocieteit.26 Hij was een zoon van Sibrand Gratama (1784-1858), een rechter in de rechtbank van Assen en één van de oprichters van het Drents Museum in Assen.27 Sibrand Gratama was hiernaast oprichter en hoofdredacteur van de Provinciale Drentsche en Asser Courant, en was burgemeester van Assen van 1816 tot 1824.28 Het archief van de familie Gratama is aanwezig in het Drents Archief. Hierin vonden we een autobiografisch boekje van Lucas Oldenhuis Gratama waarin hij al zijn bezigheden en publicaties noemde, waaronder zijn betrokkenheid bij de Bijdrage. Hij stelde hierin dat hij een paar boekbeschouwingen had ingezonden ter publicatie.29 De vier uitgaven van de Bijdragen zijn doorzocht op zijn naam, van hem als auteur is echter niets gevonden. Hoewel sommige artikelen in het tijdschrift werden ondertekend met initialen, zijn er ook geen artikelen te vinden ondertekend met L.O.G. of L.G.

Lucas Oldenhuis Gratama was een van de weinigen die in zijn tijd voorstander was van het algemeen kiesrecht, waarover hij zei: “[...] iedere census [op kiesrecht] is een onrecht.”30 Ook was hij een fel tegenstander van de doodstraf.31 Hoewel hij abolitionistische overtuigingen had, was hij als lid van de Tweede Kamer voorstander van de koloniale Atjeh-oorlog in Indonesië.32 Deze oorlog woedde van 1872 tot 1904 in het gelijknamige gebied in het uiterste noorden van het eiland Sumatra. Nederland wilde dit tot dan toe onafhankelijke sultanaat onder Nederlands bewind stellen. De inwoners weigerden zich echter te onderwerpen aan Nederlands gezag, wat leidde tot een bloedige oorlog en onderdrukking van de bevolking. Oldenhuis zijn afkeer van slavernij leidde met andere woorden niet automatisch tot afkeer van gewelddadig repressie in de overzeese koloniën.
Een aantal berichten in de Provinciale Drentsche en Asser Courant over Gratama zijn het vermelden waard. Een aankondiging in de krant van 7 februari 1857 noemde Gratama als spreker op een 'Gewone vergadering met Dames' over slavernij die op 11 februari 1857 op het Asser departement van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen zou gaan plaatsvinden.33 In een verslag van de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer van 22 november 1871 was te lezen dat Gratama pleitte voor een jurysysteem in de rechtspraak. Het achterblijven van de publieke opinie hierin was volgens hem geen argument, want: 'Zei men ook niet, dat de negers de afschaffing van der slavernij niet konden verdragen en dus de afschaffing van de slavernij onraadzaam was? Als die afschaffing had moeten wachten op het vormen eener volksovertuiging dan zou het nog geen feit zijn geweest.'34 Dit is tot nu toe de vondst waarin de abolitionistische overtuigingen van Gratama in zijn eigen woorden het duidelijkst naar voren kwamen.
Om Gratama verder te onderzoeken zou het een logische stap zijn om zijn notariële aktes te onderzoeken en zijn archief in het Drents Archief nauwkeurig door te nemen. Zijn boekencollectie is bijvoorbeeld aanwezig bij het Drents Archief, maar is nog niet beschreven. Ook kunnen de Provinciale Drentsche en Asser Courant en de Drentsche Courant gedetailleerder doorgenomen worden, evenals andere (regionale) kranten en tijdschriften, door bijvoorbeeld het gebruik van andere zoektermen, om eventuele publicaties van hem te vinden. Er is ook een stichting Gratama waarmee contact opgenomen kan worden voor mogelijke informatie.35
Pedro Wijnand Alstorphius Grevelink
Pedro Wijnand Alstorphius Grevelink (1808-1896) was een jurist die was geboren in Rotterdam die zich in 1838 in Assen gevestigd had. In dat jaar werd hij benoemd tot zowel ambtenaar van het provinciaal gouvernement van Drenthe als tot rechter in de rechtbank van Assen.36 Hij is overleden in het Gelderse Dieren. Op de website van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL) is een uitgebreid verslag van zijn leven te vinden. Hier wordt niets over zijn steun voor het abolitionisme vermeld. Meerdere leden van de familie Grevelink waren blijkbaar zee-officieren.37
Een aantal berichten over hem in de Drentsche Courant en de Provinciale Drentsche en Asser Courant laten zien dat zijn betrokkenheid in het politieke verenigingsleven zich niet alleen beperkte tot het abolitionisme. Grevelink werd in een bericht van 1 april 1842 bijvoorbeeld genoemd bij de oprichting van de Maatschappij ter bevordering van Nijverheid (MBN) in Drenthe.38 In 1777 werd deze maatschappij opgericht als economische tak van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, met als doel handel en welvaart te bevorderen. Later volgde de oprichting van de lokale en regionale takken van het MBN, waaronder dus die in Drenthe.
In de negentiende eeuw bloeide het politieke verenigingsleven op, wat leidde tot een toename van maatschappijen die specifieke maatschappelijke doelen behartigden. Veel liberalen die betrokken waren bij de abolitionistische beweging waren ook lid van bijvoorbeeld de MBN en andere maatschappijen. Het is dan ook niet verrassend dat een bericht van het MBN van 2 juni 1848 door zowel Oldenhuis Gratama als Alstorphius Grevelink werd onderschreven. In dit bericht spraken beide heren namens het MBN hun steun uit voor een landbouwschool in Groningen.39
In de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren zijn een grote hoeveelheid publicaties van Grevelink terug te vinden. Verder zijn geen resultaten gevonden met een expliciete betrekking tot abolitionisme. Voor vervolgonderzoek zouden andere tijdschriften en kranten nog doorgenomen kunnen worden om eventuele publicaties van hem te vinden, zoals bijvoorbeeld Themis, het Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek en de Praktische Volks-Almanak.40
Jan Tijmens Homan
Jan Tijmens Homan (1800-1863) was lid van de orthodox-protestantse Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij (NMBAS). In het tijdschrift van de NMBAS werd vermeld dat hij woonde in Meppel, maar hij was oorspronkelijk geboren in Vries en fungeerde als president van de Rechtbank in Assen.41 In 1853 werd hij verkozen tot lid van de Provinciale Staten van Drenthe.42 Hij was de vader van de latere commissaris van de koning in Drenthe, Johannes Linthorst Homan (1844-1926).43 We hebben van hem geen uitspraken over slavernij of andere connecties met het Nederlandse abolitionisme kunnen vinden.
Cornelius Johannes de Brutel de la Rivière
Cornelius Johannes de Brutel de la Rivière (1823-1893) was een predikant die oorspronkelijk uit Den Haag kwam en later Drenthe verliet voor Noord-Holland.44 Hij is de enige abolitionist uit Drenthe die we tot nu toe gevonden hebben die niet geassocieerd kan worden met de rechterlijke macht. Er hangt een portret van C.J. Brutel de La Riviere in het Rijksmuseum.45 Navraag bij het Rijksmuseum over het schilderij en de afgebeelde persoon leverde geen aanvullende informatie op. Veel meer informatie omtrent zijn verdere leven of zijn overtuigingen hebben we niet kunnen achterhalen.
Slavernij in de Drentse krant
Het is belangrijk om te benadrukken dat het Drentse bewustzijn van slavernij in de Nederlandse overzeese koloniën niet beperkt bleef tot de hiervoor besproken individuen. Een blik op de berichtgeving over slavernij in de Provinciale Drentsche en Asser Courant laat dit duidelijk zien. In de negentiende eeuw waren dergelijke dagbladen de belangrijkste bron van informatie over regionale, landelijke en globale ontwikkelingen. Het Drentse dagblad was oorspronkelijk in 1823 opgericht als het Nieuws- en Advertentieblad voor de Provincie Drenthe. Sibrand Gratama (destijds burgemeester van Assen en de vader van latere abolitionist Lucas Oldenhuis Gratama) was de hoofdredacteur. De krant werd gedrukt door Claas van Gorcum (1771-1843), die in 1816 officieel tot ‘Provinciale Drukker’ was benoemd. Aanvankelijk had de krant 159 abonnees, een aantal dat in de decennia hierna geleidelijk zou toenemen. Wanneer we kijken naar berichtgeving over slavernij is het belangrijk om te weten dat de provinciale overheid in de beginperiode nog veel financiële en redactionele invloed had. De provincie benoemde en gaf inhoudelijke instructies aan de hoofdredacteur. Het was de spreekbuis van de bestuurlijke en sociale Drentse elite.46 Op 3 januari 1826 onderging de krant haar eerste naamsverandering tot de Drentsche Courant. Vanaf 4 juli 1851 verscheen het als De Provinciale Drentsche en Asser Courant. Een jaar later werd de krant verkocht aan Jan Albert Willinge Gratama (1819-1886), die voortaan (net als zijn vader Sibrand Gratama) de hoofdredacteur zou zijn. Gratama begon een eigen drukkerij, waardoor Van Gorcum niet langer bij de krant betrokken was. De krant bleef tot ver in twintigste eeuw in het bezit van de familie Gratama.47 Vanaf 1851 kunnen we hierdoor niet langer spreken van directe beïnvloeding van de redactie door de provincie.
In Delpher, een online database en zoekmachine met scans en transcripties van kranten, zijn alle edities van deze krant terug te vinden. We hebben beide kranten doorzocht met een aantal koloniale en slavernij-gerelateerde zoektermen. De kranten zijn tot het jaar 1864 doorgenomen, om de focus te houden op de berichtgeving over slavernij in de periode dat er nog geen officieel overheidsbesluit was genomen om tot afschaffing over te gaan.
Een groot deel van de zoekresultaten bestaat uit droge feitelijke berichtgeving over gebeurtenissen in de overzeese koloniën. De tot slaaf gemaakten werden in dergelijke berichtgeving doorgaans beschreven als producten, en niet als mensen. Bijvoorbeeld in een bericht van 29 oktober 1861 waarin slaafgemaakten worden genoemd als “artikel” waarvan “de waarde zeer gedaald” zou zijn.48

Sommige berichten bagatelliseerden of verdedigden de slavernij. In een artikel overgenomen van de Pruisische Courant van 16 november 1841 stond dat de slavernij in Nederlands-Indië niet zo verschrikkelijk was als men zich in Europa en Amerika voorstelde. De slaafgemaakten waren er blijkbaar tevreden met hun lot, “en zouden het niet willen ruilen met dat der vrije handwerkers in Duitschland.”49 Op 30 januari 1849 plaatste de Drentsche Courant een ingezonden brief van een anonieme inwoner van Paramaribo. De schrijver liet zich uit over hoe na een opstand van slaafgemaakten de desbetreffende gouverneur de slaafgemaakten in het gelijk stelde en ze schoenen schonk. Schoenen dragen was onder slaafgemaakten verboden en dus was het dragen daarvan een teken van vrijheid. Dit werd door de schrijver niet goedgekeurd en als gevaarlijk gezien: “[...] Alsof de regering de thans nog rustige negerbevolking zeggen wil, dat zij slaven zijn zolang zij zelve slaven willen blijven”.50


Een ander deel van de berichten neigde naar een anti-slavernij perspectief. Soms werden er alleen gruwelijkheden beschreven. In andere artikelen werd ook stelling genomen. In een artikel van 18 april 1848 plaatste de Drentsche Courant een bericht over een christelijke gemeente van Surinaamse Marrons in Bambey, die hadden besloten zich zuidelijker te gaan vestigen. Het artikel legde uit hoe deze Marrons afstammelingen waren van slaafgemaakten die de plantages waren ontvlucht, en die zich diep landinwaarts in de bergen en bossen langs de rivieren Suriname en Saramacca hadden gevestigd. De koloniale regering had sinds 1763 vrede gesloten met deze gemeenschap, en sinds 1771 was er dankzij zendelingen van de Evangelische Broedergemeente (EBG) een relatief kleine christengemeente ontstaan. In het artikel werd een weinig flatteuze beschrijving van de gemeenschap door een EBG-zendeling gecontrasteerd met de petitie voor de vrijlating van slaafgemaakten die deze gemeenschap had ingediend omtrent de op dat moment aanstaande Nederlandse grondwetsherziening van 1848: “Zullen zij nu nog beweren dat de stompzinnigheid en verstandeloosheid der Surinaamsche negerslaven niet is eene eigenaardigheid van dat africaansch menschenras, maar bloot een gevolg van ‘t gemis van vrijheid en van onderwijs?”51
In de Drentsche Courant van 15 februari 1850 werd bericht dat de kapitein van het slavenschip de ‘Zenobia’ in de buurt van het eiland Sint-Helena was gearresteerd door de Engelsen. Het schip met slechts een capaciteit van 100 ton had desondanks 350 tot slaaf gemaakten aan boord, waaronder 33 vrouwen. Elf van de tot slaaf gemaakten waren overleden in de overtocht van de westkust van Afrika naar Sint-Helena. “Deze ongelukkigen waren in den bedroevendsten toestand, zonder eenige kleeding; velen hunner, en vooral de vrouwen waren met een gloeijend ijzer op de borst gebrand, om den eigendom te bewijzen. Zij waren zoo digt opeen gepakt, dat de meesten niet konden liggen.”52 Enkele jaren hierna, op 19 januari 1853, was er een bericht over een “hoogst opmerkelijke bijzonderheid” waarover was geschreven in de Java-Bode van 9 oktober 1852. Slaafgemaakten die te koop stonden op een veiling (vermoedelijk op Java) vroegen de aanwezigen niet op hen te bieden zodat zichzelf met hun eigen geld vrij konden kopen. Bezoekers van de veiling gaven hier gehoor aan, zodat de slaafgemaakten hun vrijheid konden kopen. De redactie opinieerde: “Het tooneel was waarschijnlijk indrukwekkend, en wij zien er een verblijdend teeken des tijds in.”53
De lange politieke weg naar de afschaffing van de slavernij door de Nederlandse regering was in de jaren 1850 aanleiding voor meerdere artikelen. Tijdens een zitting van de Tweede Kamer van 24 november 1853 over de slavernij in Suriname was Julius Constantijn Rijk (1787-1854) stellig blijven beweren dat hij tijdens zijn driejarig verblijf als gouverneur van de kolonie nooit iets had vernomen van de gruwelijkheden waar kamerleden hem mee confronteerden. Dit was aanleiding voor enkele personen die recentelijk uit Suriname waren teruggekeerd om een stuk in het Algemeen Handelsblad te plaatsen, waar de Provinciale Drentsche en Asser Courant op 28 december 1853 een gedeelte van overnam. Er werd uitgebreid ingegaan op verschillende voorbeelden van wreedheden die volgens de schrijvers algemeen bekend waren in Suriname. Ze gaven het voorbeeld van de eigenares die het kind van een vrouwelijke slaafgemaakte verdronk omdat het gekrijs haar hinderde, of het voorbeeld van een andere eigenares die een kind ‘s nachts in een hok had opgesloten en had laten overlijden. In fort Zeelandia kreeg men enkele jaren eerder nog regelmatig de ‘Spaanse bok’ en andere lijfstraffen toegediend voor allerlei kleinigheden. En vrouwen die weigerden toe te geven aan de seksuele avances van eigenaren werden regelmatig met lijfstraffen gedwongen toe te geven. Ze wezen hiernaast naar voorbeelden van legitiem verzet van de tot slaaf gemaakten op de plantages Katwijk, Maasstroom en Suzanna’s Daal, die ondanks de legitimiteit van hun verzet zware lijfstraffen te verduren kregen. De nog te benoeming staatscommissie die zich moest gaan buigen over het slavernij-vraagstuk had in hun ogen maar één juist beslissing te nemen: “Doch welke maatregelen men ook moge nemen, de groote fout ligt in het beginsel zelf. Slavernij in onzen tijd, met onzen geest, is niet langer bestaanbaar.”54

Op 14 januari 1854 plaatste de krant een adres aan koning Willem III (1817-1890) namens de “ondergeteekenden, ingezetenen van de Provincie Drenthe”. Het adres ging rond in de provincie ter ondertekening. De schrijvers van het adres waren vervuld met schaamte over het feit slavernij zo lang onder een christelijk volk had kunnen bestaan. Hun verzoek aan de koning was om “binnen het kortst mogelijk tijdsverloop de volkomene vrijwording der Slaven in ‘s Lands Overzeesche Bezittingen tot Stand te brengen.”55 Hier was sprake van actieve werving in Drenthe voor abolitionistische doeleinden. Enkele maanden later was op 25 januari 1854 te lezen dat volgens een eerder bericht in de Nieuwe Rotterdamsche Courant dat de staatscommissie die zich over slavernijvraagstuk ging buigen nog niet was samengesteld en dat het advies nog lang uit zou blijven. De redactie voegde hier aan toe: “Wij hopen in het belang van zoovele onzer in slavernij verkeerende medemenschen, dat dit berigt onjuist moge zijn.”56 Na het uiteindelijke advies van de commissie in 1855 liet de daadwerkelijke afschaffing echter nog steeds jaren op zich wachten. Op 5 juli 1859 werd in een anoniem ingezonden stuk nogmaals voor de afschaffing van de slavernij betoogd en werd kritiek geuit op het feit dat het nog steeds niet was afgeschaft.57
Soms werd er ruimte gemaakt voor verhalen over slavernij. Op 16 december 1854 was in 'Hoe duizend Negers aan de kant werden geschoven' te lezen hoe een slavenhandelaar aan de Afrikaanse ‘Kust van Guinea’ (het huidige Ivoorkust en Ghana) 2000 slaafgemaakten had gekocht. Dankzij een scheepsblokkade kon hij echter niet tijdig terugkeren, waardoor het beschikbare rantsoen voor deze slaafgemaakten op begon te raken. De tijd begon te dringen, en blijkbaar was de slavenhandelaar “genoodzaakt” een drastische oplossing te zoeken. De 2000 slaafgemaakten behoorden blijkbaar tot verschillende stammen die elkaar naar het leven stonden. Het was in zijn ogen beter om 1000 weldoorvoede slaafgemaakten over te houden, dan 2000 die zwak en uitgehongerd waren. De slavenhandelaar bewapende de slaafgemaakten met stokken en sloot vervolgens alle ontsnappingsroutes af van het ruim waarin ze vastgehouden werden. De uitkomst liet zich raden.58 Een klein jaar later, op 27 oktober 1855 was in 'Aan boord van een Slavenhandelaar' te lezen hoe een matroos aan boord met afschuw aanschouwde hoe men in een nederzetting aan de zuidkust van Afrika de tot slaaf gemaakten brandmerkte.59
Meerdere artikelen deden verslag van abolitionistische groeperingen en hun activiteiten. In een artikel van 23 november 1841 werd verslag gedaan van een bezoek van de Engelse abolitionist John Scoble (1799-1877) aan Groningen en de diepe indruk die hij hier had achtergelaten.60 Op 23 februari 1844 werd melding gemaakt van de verschijning van de eerste editie van het liberale abolitionistische tijdschrijft De Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën (Bijdragen).61 Later datzelfde jaar werd op 20 augustus 1844 verslag gedaan van een oproep uit Bijdragen, mede ondertekend door de Engelse abolitionist George William Alexander (1802-1890), tot een volledige en onmiddellijke afschaffing van slavernij in alle Nederlandse koloniën. Volgens de oproep waren alle pogingen om het bestaande systeem te verbeteren mislukt, en haalde de succesvolle afschaffing van slavernij in de Engelse koloniën alle argumenten van de verdedigers van slavernij onderuit.62
De later opgerichte christelijk georiënteerde Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van der Slavernij (NMBAS) kwam in de jaren 1850 een aantal keer naar voren in de krant. Op 22 juni 1853 plaatste de Drentse abolitionist Pedro Wijnand Alstorphius Grevelink een advertentie met de oproep tot “bevorderlijke uitbreiding van” de NMBAS in Drenthe. Geïnteresseerden werden uitgenodigd om naar het “locaal van Schut” in Assen te komen voor verdere voorlichting.63 De groepering werd in een artikel van 2 november 1853 nogmaals aangehaald toen ze een adres aan de koning hadden ingediend om de afschaffing van de slavernij te verzoeken.64 Een artikel van 3 februari 1855 rapporteerde over een bijeenkomst van de NMBAS in Amsterdam. Hier had een zendeling uit Jamaica verslag gedaan van de toestand van de zwarte bevolking op het eiland en het effect dat de afschaffing van de slavernij hier teweeg had gebracht. Hij benadrukte dat de plantages sinds de afschaffing van slavernij niet zoals verwacht achteruit waren gegaan, maar juist tot bloei waren gekomen. De daglonen waren volgens hem laag en er werd goed gewerkt. Hij verbaasde zich over het vooroordeel van luiheid dat de slaafgemaakten altijd ten deel was gevallen. Hierbij merkte de redactie op in een voetnoot dat men ook in Suriname al had kunnen zien dat vrijgemaakten wilden werken. Het ging er met name om, “dat zij op verstandige wijze tot den arbeid geleid worden.”65 Op 26 mei 1859 werd verslag gedaan van de jaarlijkse algemene vergadering van de NMBAS in Den Haag. Speciale vermelding werd gemaakt van de vrijkoop van 27 slaafgemaakten gedurende het jaar 1858/1859 met geld van de organisatie. Voor het aankomende jaar werd nogmaals 2000 gulden (€ 23.559) beschikbaar gesteld om meer slaafgemaakten vrij te kunnen kopen.66
1 M.A.W. Gerding, Johan Picardt (1600-1670). Drenthe’s eerste geschiedschrijver (Van Gorcum: Assen, 1997), 11-31.
2 Johan Picardt, Korte Beschryvinge Van eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN Der Provintien en Landen Gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Tymon Houthaak: Amsterdam, 1660.
3 Picardt, Korte Beschryvinge Van Eenige Vergetene en Verborgene ANTIQUITETEN, 8.
4 Picardt, 9.
5 Martijn Stoutjesdijk, “‘Omdat hunne verw en gedaante van d’onze verscheiden is’. De vloek van Cham in het Nederlands debat over koloniale slavernij” in: Bente de Leede en Martijn Stoutjesdijk (reds.), Kerk, Kolonialisme en Slavernij: Verhalen van een vervlochten geschiedenis. Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2023: 134-152.; Leendert Jan Joosse, Geloof in de Nieuwe Wereld: Ontmoetingen met Afrikanen en Indianen (1600-1700) (Uitgeverij Kok: Kampen, 2008), 514-529.
6 Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.21.028, inv.nr. 693.
7 J.P. Siwpersad, “Emancipatie in Brits Guyana en het beleid inzake Suriname”. OSO: Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde, Letterkunde en Geschiedenis 2 (1983): 25-33, aldaar 31.; NA, Toegangsnr. 2.21.028, inv.nr. 529.
8 Eerst Rapport der Staatscommissie benoemd bij Koninklijk Besluit van 29 November 1853, n. 66. Tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de nederlandsche koloniën. Deel 1: Suriname. (Den Haag: Gebroeders van Cleef, 1855), 36-39.
9 Rapport Staatscommissie 1855, III-IV.
10 Rapport Staatscommissie 1855, 124-130.
11 Maartje Janse, De Afschaffers: Publieke Opinie, Organisatie en Politiek in Nederland 1840 – 1880 (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2007), 9-12
12 Ibidem, 58.
13 Janse, 58-59.
14 Ibidem, 52.
15 Ibidem, 53.
16 Ibidem, 75-76.
17 Ibidem, 84.
18 Ibidem, 91-93.; De aanvankelijke Nederlandse vertaling van Beecher Stowe’s Uncle Tom’s Cabin kwam in 1853 met deze titel op de markt. Latere edities van de Nederlandse vertaling kregen de aangepaste titel De Hut van Oom Tom.
19 Dienke Hondius en Niek Hemmen, Gids Kerk en Slavernijverleden: Een eerste verkenning (Edam: LM Publishers, 2023) 67.
20 Hondius en Hemmen, Gids Kerk en Slavernijverleden, 46.
21 Ibidem, 80, voetnoot 39 verwijzend naar p.326.
22 Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en Vreemde Koloniën, Bijzonder betrekkelijk de Vrijlating der Slaven, 1847 (Utrecht: C. van der Post Jr, 1847), 9.
23 Tijdschrift uitgegeven vanwege de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij. Derde Jaargang 1857-1858: 34.
24 Tijdschrift NMBAS. Vierde Jaargang 1858-1859: 40; Tijdschrift NMBAS. Derde Jaargang 1857-1858: 54.
25 Tijdschrift NMBAS. Tweede Jaargang 1856-1857: 85; Tijdschrift NMBAS. Derde Jaargang 1857-1858: 105.
26 M.A.W. Gerding en J. Bos, Geschiedenis van de Asser Heeren Sociëteit, 1780-1995 (Assen: Vereniging tot instandhouding van de Groote Sociëteit, 1995), ?.
27 “Lucas Oldenhuis Gratama”, Geheugen van Drenthe, 03-02-2025.
28 Johan de Wal, “Levensbericht van Mr. Sibrand Gratama”, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1858 (Leiden: E.J. Brill, 1886): 27-46.
29 Drents Archief, Toegangsnr. 0753 Familie Gratama, inv.nr. 140.
30 Mr. M. Oldenhuis Gratama, “Levensbericht van Mr. Lucas Oldenhuis Gratama”, Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1886 (Leiden: E.J. Brill, 1886): 81-122, aldaar 98.
31 Oldenhuis Gratama, “Levensbericht van Mr. Lucas Oldenhuis Gratama”, 23.
32 Oldenhuis Gratama, 14-17.; 'Telegrafische dépeches', Provinciale Drentsche En Asser Courant., 29 april 1873.
33 Hosteijn, 'Gewone vergadering, met dames', Provinciale Drentsche En Asser Courant., 7 februari 1857.
34 'Binnenland: Assen', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 11 november 1871.
35 “Gratama Stichting”, Gratama Stichting, 29-01-2025; De Gratama-Stichting is gevestigd in Harlingen en is in 1925 opgericht met doelstellingen om studietoelagen te verstrekken aan familiegenoten, wetenschappelijk onderzoek te steunen, en familiebezittingen in stand te houden.
36 “Grevelink, Pedro Wijnand Alstorphius” In: P.J. Blok en P.C. Molhuysen, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Deel 1, 975-976. Leiden: A.W. Sijthoff’s Uitgevers-Maatschappij, 1911.
37 W. Hoogvliet, “Levensbericht van Mr. P.W. Alstorphius Grevelink”, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1896, 255-270.
38 'Assen', Drentsche Courant, 1 april 1842.
39 Alstorphius Grevelink, 'Landbouwkundige School: te Groningen en Haren', Drentsche Courant, 2 juni 1848.
40 “Grevelink, Pedro Wijnand Alstorphius” In: NNBW, 975-976.
41 Assen, Huisregister, 1840 (toeg. 0921; nr. 624
42 'Uitslag van de Herstemming voor Leden van de provinciale Staten van Drenthe, welke 25 mei 1853 heeft plaats gehad.', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 28 mei 1853.
43 Geboorteregister Assen 1844, archiefnr. 0165.002, inv.nr. 1844, aktenr. 119; “Johannes Linthorst Homan”, Geheugen van Drenthe, 16-02-2025.
44 Bevolkingsregister Meppel Deel 6, 1850-1863, archiefnummer 2001.15, inv.nr. 35;
45 'Portret van C.J. Brutel de La Rivière, Ch. Binger & Co., 1862 - 1882 - Rijksmuseum', Rijksmuseum, z.d..
46 “Nieuws- en Advertentieblad voor de Provincie Drenthe”, Geheugen van Drenthe, 04-02-2025.
47 ‘Provinciale Drentsche en Asser Courant', Geheugen van Drenthe, 04-02-2025, ; G.A. Wumkes, “Gratama, Jan Albert Willinge”, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10 (Leiden: Sijthoff Uitgeversmaatschappij, 1937), 300-301.
48 'Engeland', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 29 oktober 1861.
49 'Pruissische Courant', Drentsche Courant, 16 november 1841.
50 'Nederland', Drentsche Courant, 30 januari 1849.
51 ''t Ontwerp van Grondwetsherziening', Provinciale Drentsche En Asser Courant., 8 april 1848.
52 'Varia', Drentsche Courant, 15 februari 1850.
53 'Allerlei', Provinciale Drentsche en Asser Courant, 19 januari 1853.
54 'Toestand der slaven in West Indië, Provinciale Drentsche En Asser Courant, 28 december 1853.
55 'Drenthe', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 14 januari 1854.
56 'Binnenlandse Berigten', Provinciale Drentsche En Asser Courant., 25 januari 1854.
57 'Ingezonden stukken', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 5 juli 1859.
58 'De Verteller', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 16 december 1854.
59 'De Verteller', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 27 oktober 1855.
60 'Groningen', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 23 november 1841.
61 'Assen', Drentsche Courant, 23 februari 1844.
62 'G.W. Alexander', Drentsche Courant, 20 augustus 1844.
63 'Advertentien', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 22 juni 1853.
64 'Amsterdam', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 11 november 1853.
65 'Allerlei', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 3 februari 1855.
66 ''s Gravenhage', Provinciale Drentsche En Asser Courant, 26 mei 1859.

