Spring naar inhoud

Drenthe en de doorwerking van het slavernijverleden

Drenthe en de doorwerking van het slavernijverleden

We hebben in dit rapport onderzoek gedaan naar Drentse connecties met slavernij in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. In de negentiende eeuw hebben we gekeken naar de periode tot 1863 toen de Nederlandse slavernij in het Caribische gebied (en de facto pas in 1873 in Suriname) werd afgeschaft, nadat het in 1860 was afgeschaft in de Nederlandse koloniën in de Indonesische archipel. Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat hiermee de ongelijkheid, de uitbuiting, en de ontmenselijking ten einde waren gekomen. De Nederlandse koloniën in Suriname, de Antillen en Indonesië zijn nog lang in stand gebleven, en hebben ook na de dekolonisatie te maken met (soms geïnternaliseerd) racisme, economische problemen, en politieke verdeeldheid langs oude koloniale scheidslijnen. 

Suriname bleef bijvoorbeeld nog tot 1954 een kolonie van Nederland, en werd pas in 1975 volledig onafhankelijk. Na de onafhankelijkheid vertrok grofweg een kwart van de toenmalige Surinaamse bevolking naar Nederland. De etnische diversiteit onder Surinamers kan mede verklaard worden door het slavernijverleden en de gevolgen van de afschaffing van de slavernij. Om bijvoorbeeld de plantages in Suriname te kunnen blijven voorzien van goedkope arbeid werden er op grote schaal arbeiders geworven in Azië. Meer dan 34.000 arbeiders uit India en 33.000 Javanen kwamen als contractarbeider naar Suriname om op de plantages te werken. Deze arbeiders werkten in slechte omstandigheden, terwijl contractbreuk strafrechtelijk vervolg werd. Deze onvrije contractarbeid bleef bestaan in Suriname tot de Tweede Wereldoorlog.1 Hiernaast bestaan er onder Afro-Surinamers etnische en culturele verschillen tussen afstammelingen van slaafgemaakten die na de afschaffing van de slavernij in en rond de Surinaamse steden zijn gaan wonen, en de afstammelingen van de Marrons die de slavernij al eerder waren ontvlucht en hun eigen gemeenschappen in het Surinaamse binnenland hadden opgericht. Deze etnische verdeling is in het huidige Suriname nog steeds terug te zien in politiek, religieus, taalkundig, cultureel en economisch opzicht.

In Indonesië bleef de slavernij de facto in veel gebieden nog bestaan tot in de twintigste eeuw. Daarnaast bleef het cultuurstelsel bestaan tot 1870, en mocht het KNIL vanaf 1873 tot dwangarbeid veroordeelde gevangenen tijdens militaire campagnes inzetten. Deze gevangen werden ook wel “kettingberen” genoemd (ze waren vaak aan elkaar geketend) en zijn onder andere ingezet door gouverneur-generaal Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924) uit Coevorden tijdens de Atjeh-oorlog (1873-1904), waarbij er naar schatting tientallen duizenden van hen zijn omgekomen. Ook werden ze door het koloniale gezag bij de aanleg van wegen en luchthavens en in de mijn- en landbouw ingezet.2 Nederland bleef hier als koloniale machthebber aanwezig totdat de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en internationale druk hier een gedwongen einde aan maakten in 1949. Aanvankelijk werd het vanuit Nederlands koloniaal perspectief gezien als een interne opstand die met ‘politionele acties’ neergeslagen kon worden. Dit bleek uiteindelijk niet het geval te zijn. Tussen 1946 en 1949 reisden 120.000 dienstplichtige Nederlandse soldaten af naar Indonesië om Indonesische onafhankelijkheid te voorkomen. Hieronder bevonden zich ook Drentse soldaten. In het begin van 1946 vertrok het uit 750 Drentse oorlogsvrijwilligers bestaande bataljon ‘De Ramskop’ naar Indonesië. Later volgden vele Drentse dienstplichtigen uit plaatsen als Dwingeloo, Nieuw-Balinge en Gieterveen.3

De Indonesische onafhankelijkheid zorgde voor de komst van 8000 Molukse voormalige KNIL-militairen naar Nederland. De militairen en hun gezinnen, ongeveer 12.500 personen in totaal, werden samen met hun gezinnen ondergebracht in woonoorden verspreid door het hele land.4 In Drenthe waren dergelijke woonoorden te vinden in Norg (De Fledders), Ruinen (Stuifzand), Oosterhesselen (Heesbrug), en het voormalige concentratiekamp Westerbork (Schattenberg, Pieterberg en Mantinge). In de plaatsing in de verschillende woonoorden werd geen rekening gehouden met het dorp van afkomst in de Molukken. Verschillende Molukse familienamen verwijzen tegenwoordig nog naar de dorpen waar de families hun oorsprong hebben.5 Deze Molukkers kregen in Drenthe te maken met racisme. In een interview uit 2019 met RTV-Drenthe vertelt Sam Saptenno als Molukker van de tweede generatie in Nederland hoe het er aan toe ging toen hij met FC Amboina voetbalwedstrijden speelde tegen andere Drentse ploegen: “Toeschouwers reageerden vaak heel negatief. Ik hoorde ze wel roepen: “Schop die zwarten onder het gras!” Het begon vaak buiten de lijnen en dat sloeg over naar binnen de lijnen. Er werd gevochten, onze ouders bemoeiden zich er ook mee.”6

Woonoord de Schattenberg in Westerbork in Drenthe. 1950. Fotograaf Rolf Winterbergen. Nationaal Archief.

De Nederlandse koloniën bleken na de afschaffing van de slavernij nog steeds een aantrekkelijk wingewest te zijn voor Nederlandse ondernemers en handelaren. Zo kon het in 1890 opgerichte Koninklijke Olie (de voorloper van Shell) in Nederlands-Indië profiteren van de zeer ongunstige arbeidsvoorwaarden waar de Chinese en Javaanse contractarbeiders onder moesten werken. Hier werd het fundament gelegd van waaruit de oliemaatschappij zich later kon uitbreiden, zoals op Curaçao in 1918 en op Aruba in 1824.7 In 1948 kreeg het Zaanse houtbedrijf Bruynzeel de ontginningsrechten over een half miljoen hectare Surinaams bosgebied voor een periode van 25 jaar. Deze bosontginning van Bruynzeel ging ten koste van de ontginning die eerder werd gedaan door veel Marrons, die hierdoor hun inkomstenbron in de houtkap kwijtraakten.8 Suriname, de Antillen en de Indonesische archipel zijn - op verschillende manieren en in verschillende mates – beïnvloed en benadeeld in hun ontwikkeling door hun ongelijke en afhankelijke relatie ten opzichte van Nederland. Volgens socioloog Glenn Sankatsing is er in deze gebieden eigenlijk geen sprake geweest van development, maar van envelopment. Nederlandse belangen van buitenaf zijn doorslaggevend geweest in de structurering van deze samenlevingen. De basis werd hiervoor gelegd in de slavernij-periode maar de nadelige gevolgen hiervan werken door tot op de dag van vandaag.9

Racistische vooroordelen van Nederlanders over mensen van kleur verdwenen niet na de afschaffing van slavernij. Dit is bijvoorbeeld te zien in de onderstaande brochure uit de collectie “Programma’s van concerten, toneel-, circus- en andere voorstellingen, bijgewoond door Abrahamina Beelaerts; 1893-1910, z.jr”, te vinden in het archief van de familie Oosting in het Drents Archief.10

Het Afrikaanse koninkrijk Dahomey (tegenwoordig Benin) werd in de brochure omschreven als “het Land der Menschenoffers en Slavernij”. De oude associatie tussen Afrika en slavernij bleek nog springlevend: “Aan de slavenkust van Opper-Guinea woont een belangwekkende volksstam. Zoo wreed zijne wetten zijn, zo woest zijne zeden. Slavenhandel en afgoderij, onbeperkt recht van Heerscher over zijne onderdanen, van het gezinshoofd over het lichaam en leven zijner familieleden, zelfs over zijne vrouw, geven den lagen trap van ontwikkeling aan, waarop dit volk staat.”

Desondanks had het koninkrijk in de ogen van de brochuremakers ook kenmerken die de aandacht van de Europeaan waardig waren: “En toch deelt het Rijk van Dahomey de eigenschap der groote Europeesche Staten – het is door en door een militaire Staat. Wat meer is, de vrouw-emancipatie, die ten onzen nog den strijd tegen de maatschappelijke vooroordeelen te voeren heeft, vond in Dahomey reeds hare oplossing.” Deze oplossing waren de zogenaamde ‘Amazonen van Dahomey’, de vrouwelijke krijgers die als lijfwacht van de koning fungeerden. In het bijbehorende programma wordt duidelijk dat hier een tentoonstelling werd gegeven waarin deze groep vrouwen verschillende dansen en militaire oefeningen verrichtten. De brochure maakt niet duidelijk waar deze tentoonstelling plaats vond. Een snelle zoektocht in de Provinciale Drentsche en Asser Courant maakt duidelijk dat geïnteresseerden deze voorstelling buiten de provincie moesten zoeken. In een katern van 16 maart 1893 genaamd ‘Brieven uit de hoofdstad’ werd duidelijk dat het gezelschap op dat moment in Carré in Amsterdam te bezichtigen was.11 In een bericht van 29 april 1893 was te lezen dat de Amazones van Dahomey enkele dagen in de dierentuin van Den Haag te bezichtigen waren.12 In een bericht van 9 mei 1893 was te lezen dat ze grote aantallen bezoekers trokken. Blijkbaar brachten bezoekers snoep en sieraden mee om aan “dit eigenaardig volkje” te geven. Na Den Haag zou het Crystal Palace in Londen hun volgende bestemming zijn.13 De manier waarop met de Dahomey werd omgegaan werd mede ingegeven door de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel. Het koninkrijk Dahomey was namelijk een zeer belangrijke handelspartner van de WIC gedurende de achttiende eeuw. De Dahomey verkochten de Nederlanders slaafgemaakten, goud en ivoor in ruil voor zaken als vuurwapens, textiel, drank of ijzer. Het waren doorgaans scherpe onderhandelaars. Pas vanaf de negentiende eeuw begon de mythe te ontstaan dat Afrikaanse koninkrijken hun eigen mensen en grondstoffen verkochten in ruil voor spiegeltjes en kraaltjes, of misschien wel snoep en sieraden.14 

Enerzijds is het tegenwoordig niet meer maatschappelijk geaccepteerd om op een dergelijke manier te schrijven over zwarte mensen. Anderzijds zag een meerderheid van de Nederlandse bevolking tot enkele jaren geleden Zwarte Piet nog als een onlosmakelijk deel van de Sinterklaasviering.15 Racisme en de hiermee gepaard gaande achterstelling, uitsluiting en discriminatie zijn niet verdwenen uit het huidige Nederland, en daarmee ook niet uit het huidige Drenthe. Uit verschillende studies blijkt bijvoorbeeld dat er op landelijk niveau sprake is van hardnekkige discriminatie op de arbeidsmarkt op zowel herkomst als huidskleur.16 Ook laat recent onderzoek zien dat de woningmarktpositie in Nederland van Surinaamse immigranten en hun kinderen aanzienlijk slechter is dan die van mensen met grootouders die in Nederland zijn geboren.17 En de toeslagenaffaire heeft laten zien dat een organisatie die er op papier voor alle Nederlanders zou moeten zijn in de praktijk jarenlang etnisch profileerde om te bepalen wie wel of niet te goeder trouw was.

Dit kan niet los gezien worden van de manier waarop het Nederlandse koloniale verleden zeer lang is behandeld in zowel het onderwijs als de geschiedwetenschap. Decennia lang werd slavernij als onderdeel van het koloniale verleden niet of nauwelijks behandeld in de schoolboeken. Hoewel er inmiddels meer aandacht voor is, wordt er nog steeds te weinig aandacht gegeven aan het racisme dat hieraan ten grondslag lag. Verbanden tussen dit verleden en hedendaagse problemen in zowel Nederland als de voormalige koloniën worden doorgaans ook niet gelegd.18 In de geschiedwetenschap werd tot de jaren tachtig de trans-Atlantische slavenhandel hoofdzakelijk besproken als economische activiteit waarin de slaafgemaakten gezichtsloos bleven. Sindsdien is er – mede dankzij de invloed van onderzoekers met een achtergrond in de voormalige koloniën – meer aandacht gekomen voor de tot slaaf gemaakten die tegen hun wil ontvoerd, verhandeld, misbruikt en mishandeld werden. Er is ook meer aandacht gekomen voor hun strijd en hun verzet. En om de stilte over de tot slaaf gemaakten te doorbreken in de traditionele koloniale bronnen wordt er steeds meer gebruik gemaakt van alternatieve onderzoeksmethoden, zoals orale geschiedenis, of de antropologische analyse van materiële cultuur en muziekcultuur.19 Dit huidige onderzoek vormt een ander soort herijking van de manier waarop we naar het koloniale verleden kijken. De voorbeelden uit dit rapport laten zien dat de wereld ook vroeger al een stuk kleiner was dan we soms geneigd zijn te denken. Ook in het kleine Drenthe was men zich bewust van wat zich in de koloniën afspeelde, en soms profiteerde men er zelfs van. Door hier aandacht aan te geven proberen we niet per se het koloniale verleden dichterbij te brengen. Het is eerder een kwestie van laten zien dat het altijd al dichtbij was.

1 Ellen Klinkers, “Het kronkelige pad van slavernij naar ‘vrije’ arbeid”, In: Staat & Slavernij. Het Nederlandse koloniale slavernijverleden en zijn doorwerkingen, 117. Red. Rose Mary Allen e.a.. Athenaeum: Polak & Van Gennep, 2023.
2 Klinkers, “Het kronkelige pad van slavernij naar ‘vrije’ arbeid”, 115.
3 Guido Abuys, Menyala: de buitengewone geschiedenis van de Molukkers in Drenthe (Waanders, 2023), 25.
4 https://web.archive.org/web/20100104092202/http://www.moluksewoonoorden.nl/
5 G.I.J. Steijlen, “Van frak via sarong en kebaja naar bruidsjapon; Molukse vieringen in verandering”. In: Stengs (red.), Nieuw in Nederland: Feesten en rituelen in verandering (Amsterdam: Amsterdam University Press, 2012), 26.
6 Abuys, Menyala, 105.
7 Klinkers, 117.
8 Hans Buddingh, De Geschiedenis van Suriname. Uitgebreide editie (Amsterdam: Uitgeverij Rainbow, 2021) , 320-321.
9 Glenn Sankatsing, “The Caribbean between envelopment and development”. Carribean Reality Studies Center, 2003.
10 Drents Archief, toegangsnr. 0361.01, inr.nr. 363d. “Programma's van concerten, toneel-, circus- en andere voorstellingen, bijgewoond door Abrahamine Beelaerts; 1893-1910, z.jr”
11 Provinciale Drentsche en Asscher Courant, 16-03-1893
12 Provinciale Drentsche en Asscher Courant, 29-04-1893
13 Provinciale Drentsche en Asscher Courant, 09-05-1893
14 Henk den Heijer, Goud, Ivoor en Slaven. Scheepvaart en handel van de Tweede West-Indische Compagnie op Afrika, 1674-1740 (Zutphen: Walburg Pers, 1997), 221.
15 Voor een historische uiteenzetting over Zwarte Piet als blackface-personage, zie: Elisabeth Koning, “Zwarte Piet, een blackfacepersonage”, Tijdschrift voor Geschiedenis, Volume 131, Nr. 4 (Dec 2018): 551-575.
16 Lex Thijssen, “Werkt het Nederlandse trans-Atlantische slavernijverleden door in hedendaagse discriminatie op de arbeidsmarkt?”, Doorwerking van het slavernijverleden, 63-71
17 Wouter van Gent en Cody Hochstenbach, “Doorwerking van de slavernij en het koloniale verleden op het gebied van wonen”, Doorwerking van het slavernijverleden, 55-62.
18 Judi Mesman, “Raciale hiërarchieën uit het slavernijverleden in de samenleving en het onderwijs van nu”, Doorwerking van het slavernijverleden, 52.
19 Alex van Stipriaan, “De Nederlandse wetenschap en overheid over het slavernijverleden en zijn doorwerkingen”, Staat & Slavernij, 26-28.