
Conclusie
Met de bevindingen uit dit rapport willen we iedereen die interesse heeft in dit onderwerp een introductie geven in de materie en tegelijk een startpunt bieden voor wie nog verder onderzoek wil doen. Hoewel we veel aandacht hebben gegeven aan Drentse slavenhouders moet niet onderschat worden hoe belangrijk de andere connecties met slavernij zijn die we in dit rapport hebben besproken. De slavernij en de slavenhandel hadden namelijk gevolgen die verder reikten dan alleen de slaafgemaakten en de slavenhouders.
In Zuid-Afrika en Azië was de VOC bijna twee eeuwen lang een werkgever voor honderden duizenden Nederlanders. De organisatie handhaafde zich binnen en profiteerde van een economisch en politiek systeem dat alleen kon bestaan bij de gratie van grote machtsongelijkheid en onvrijheid. De 481 vermeldingen van Drenten in de scheepssoldijboeken van de VOC laten mensen zien die hun geboorteplaats hadden verlaten en kennis maakten met volkeren en culturen buiten Europa. Voor velen zal het als een avontuur hebben gevoeld. Wat te lang onvermeld is gebleven is hoe die kennismaking plaats vond op ongelijke voet. In hoeverre werd het beeld dat deze Drenten kregen van de mensen uit Azië of Afrika – zowel vrij als onvrij – ingekleurd door deze ongelijkheid? En wat hebben ze – zowel in hun opvattingen als eventuele rijkdom – weer mee terug genomen naar Drenthe?
Hetzelfde gold uiteraard voor de koloniën in het Atlantisch gebied. De zestig Drenten die hier actief waren, hadden hun functies te danken aan de slavernij. Dienaren van het koloniale gezag waren doorgaans niet geïnteresseerd in opvattingen die de legitimiteit van de organisatie en daarmee ook hun eigen functie ondermijnden. De Afrikaanse slaafgemaakten beschikten in de ogen van de meeste WIC-dienaren dan ook niet over dezelfde mate van menselijkheid als henzelf. Het boek De Manja van Cornelis van Schaick uit 1866 is een opvallende uitzondering, hoewel ook dit boek pas drie jaar na de wettelijke afschaffing van de slavernij in de West-Indische koloniën verscheen.
Hoewel alle slavenhouders uit dit rapport belangen hadden in de Zuid-Amerikaanse plantages, betekent dit niet dat er geen Drenten waren die slavenhouder waren geweest in Zuidoost-Azië. Deze eenzijdigheid is een gevolg van de verschillende manieren waarop de Nederlandse koloniën in deze gebieden ingericht waren en welke rol slavernij hier speelde. De Atlantische koloniën ontleenden voornamelijk hun bestaansrecht aan de trans-Atlantische slavenhandel, de plantage-slavernij en handel in de goederen die deze slavernij opbracht. Dit leidde met name in de negentiende eeuw tot meer gecentraliseerde administratie omtrent de plantages, hun eigenaren en aandeelhouders, en de slaafgemaakten die hier verbleven. In dit rapport maken we voornamelijk gebruik van deze administratie. De Aziatische slavernij had een ander karakter. Ook hier waren weliswaar plantages te vinden waar slaafgemaakten werkten, maar dit was niet de dominante bedrijfsvorm zoals het in de Atlantische koloniën was. Een zeer groot deel van de Aziatische slaafgemaakten werkte in de huishoudens van particuliere slavenhouders. Deze vorm van slavernij is niet op dezelfde manier terug te vinden in de historische bronnen. Het is mogelijk dat toekomstig onderzoek meer inzicht biedt in Drentse slavenhouders in Zuidoost-Azië. Vooralsnog hebben we een aantal individuen ontdekt die hier actief waren en waarvan we sterk vermoeden dat ze slavenhouder waren. Een aantal van deze individuen, zoals Gerard Peter Servatius en Jan Kiers, zijn besproken in het rapport maar zijn vooralsnog niet opgenomen in de lijst van Drentse slavenhouders omdat we hiervoor vooralsnog geen direct bewijs hebben kunnen vinden.
We vinden het belangrijk om ook de Drentse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid te bespreken. De Drentse koloniën laten zien hoe praktijken die oorspronkelijk bedacht waren voor tot slaaf gemaakte Afrikanen en Aziaten uiteindelijk toegepast werden op kansarme Nederlanders. Het afnemen van vrijheid en zelfbeschikking ging ook hier gepaard met ontmenselijking. In de ogen van Johannes van de Bosch en veel van zijn tijdgenoten stonden de armen in de Drentse koloniën op een lagere trap van beschaving. Hoewel dit in zijn ogen het gevolg was uit het feit dat ze geen werk konden krijgen, betekende dit net zo goed dat hun lagere beschaving vertaald kon worden naar dwang en onvrijheid. De plannen voor de Surinaamse kolonie van Weldadigheid met ‘vrije gekleurden’ en slaafgemaakten die hun vrijheid moesten terugverdienen met arbeid, laten zien hoe Van den Bosch ook zelf de koloniale praktijken overzee en in Drenthe tot op zekere hoogte vergelijkbaar vond. Een belangrijk onderscheid schuilt in het feit dat de slaafgemaakten eerst hun formele vrijheid dienden te krijgen voordat ze op Voorzorg mochten werken. De kolonisten in de koloniën van Weldadigheid waren geen slaafgemaakten. Ze stonden een enkele trede hoger.
De verschillende Drentse tabakszaken die we hebben besproken, profiteerden van de handel in koloniale goederen op het moment dat deze goederen nog met slavenarbeid werden vervaardigd. Het is belangrijk om dergelijk indirect economisch gewin ook mee te nemen wanneer we kijken naar het slavernijverleden. Drenthe was economisch niet een eiland in Nederland. Verschillende Drentse ondernemers hebben kunnen profiteren van de nieuwe mogelijkheden die de koloniale handelsroutes openden. Tegelijkertijd profiteerde de Drentse consument van het feit dat luxegoederen zoals tabak en suiker opeens betaalbaar en toegankelijk werden op een manier die ze voorheen nooit waren geweest.
De voorbeelden van Drenten die zich uitspraken over slavernij laten zien hoe men zich ook hier al vroeg bewust was van wat zich in de overzeese koloniën afspeelde. Bewustzijn zorgde echter niet automatisch voor veroordeling. Johan Picardt is het vroegste Drentse voorbeeld van het legitimeren van de slavernij. Coenraad Wolter Ellents Hofstede is een voorbeeld van de hardnekkigheid waarmee de koloniale elite vasthield aan deze oude ideeën. In de negentiende eeuw waren er echter ook de Drentse abolitionisten: Lucas Oldenhuis Gratama, Pedro Wijnand Alstorphius Grevelink, Jan Tijmens Homan, Cornelius Johannes de Brutel de la Rivière, en vijftien vooralsnog anonieme leden van de Nationale Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij (NMBAS). Het abolitionisme ontstond in Nederland relatief laat en de verschillende organisaties bestonden niet erg lang. Desondanks volgden deze Drenten hun geweten, en sloten ze zich aan bij het koor aan stemmen dat vond dat de Nederlandse afschaffing van de slavernij niet langer op zich kon laten wachten.
Hoewel het huidige onderzoek als doel heeft om dit slavernijverleden dichterbij te brengen, is het belangrijk om stil te staan bij wat het niet dichterbij brengt. Een verkennend onderzoek in het Drents Archief en het Nationaal Archief naar specifiek Drentse connecties met het slavernijverleden heeft resultaten opgeleverd die iets vertellen over witte Drenten die aandelen hadden in plantages, actief waren in de koloniën, indirect geld verdienden aan slavernij, of meningen hadden over slavernij. Het perspectief van de slaafgemaakten zelf of hun nazaten blijft echter ver weg. Hierdoor kan onterecht een beeld ontstaan van slaafgemaakten die – weliswaar gedwongen – passief hun lot ondergingen zonder enige capaciteit tot eigen keuzes of zelfstandig handelen. Afgezien van het feit dat de voorbeelden van georganiseerd verzet door diezelfde slaafgemaakten dit tegenspreken, geeft het ook een onvolledig beeld van de Drentse geschiedenis. Nazaten van slaafgemaakten wonen in Drenthe en hebben hun eigen verhaal te vertellen en hun eigen ervaringen te delen wanneer het gaat om de doorwerking van het slavernijverleden. Een belangrijke toevoeging hieraan is dat ze ook een belangrijke rol kunnen spelen in het verbeteren van de historische kennis van het slavernijverleden zelf. Oral history is een zeer waardevolle onderzoeksmethode om meer te weten te komen over de levens van mensen waar de traditionele geschreven bronnen te weinig over te vertellen hebben. Nazaten van slaafgemaakten die geboren zijn in de eerdere decennia van de twintigste eeuw hebben mogelijk nog gesproken met en verhalen meegekregen van grootouders die nog in de slavernijperiode hebben geleefd. Het Drents Archief bewaart niet alleen oud schriftelijk archiefmateriaal, maar is ook in staat om nieuwere soorten archiefmateriaal op te slaan. Opgenomen en getranscribeerde interviews met Drentse nazaten van slaafgemaakten zouden in de toekomst een zeer waardevolle toevoeging kunnen zijn aan het archiefbestand.
De bevindingen uit dit rapport moeten daarom niet worden gezien als een eindpunt. De meeste besproken deelonderwerpen kunnen nog verder onderzocht worden. Ook zijn er genoeg andere deelonderwerpen die we niet in dit rapport hebben genoemd, maar die ook nog verkend zouden kunnen worden. Er is met name nog een inhaalslag te maken met onderzoek over de levens en perspectieven van de slaafgemaakten zelf. Een groot deel van het Drentse bevolkingsregister uit de negentiende eeuw kan bijvoorbeeld nog doorzocht worden om te zoeken naar eventuele Afrikanen, Aziaten of Amerikanen die in Drenthe zijn komen wonen. Eventueel vervolgonderzoek zou ook na kunnen gaan of sommige van hen wellicht een slavernijverleden hadden. In andere provincies en steden zijn namelijk meerdere voorbeelden gevonden van voormalige slaafgemaakten die soms zelfs al vroeg in de zeventiende eeuw naar Nederland kwamen en hier een eigen bestaan wisten op te bouwen. Hun aanwezigheid is terug te zien in de doop-, trouw- en begraafregisters. Tijdens het huidige onderzoek zijn de Drentse doop-, trouw- en begraafregisters van de zeventiende en achttiende eeuw doorzocht. Dit heeft helaas geen resultaten opgeleverd.
Het zoeken naar Drentse slavenhouders hoeft daarnaast ook nog zeker niet tot een einde te komen. Afgezien van de eerder genoemde grote inhaalslag die nog te behalen is met betrekking tot Aziatische slavernij, is er ook nog een grote hoeveelheid informatie te vergaren door genealogisch onderzoek te doen. De prominente Drentse families waren via huwelijken doorgaans nauw met elkaar verweven. Genealogisch onderzoek over deze families in combinatie met gericht onderzoek in de notariële archieven zou nog veel relevante informatie kunnen opleveren. In de onderzoeksgids zullen we toekomstige onderzoekers de handvatten geven om hiermee aan de slag te gaan.