
Sigarenblik van de Gebroeders Jakobs in Meppel
Profijt van slavernij
Als we kijken naar een globaal economisch systeem van slavernij en slavenhandel, dan is het belangrijk om te beseffen dat er niet alleen geld verdiend werd door de slavenhouders, maar dat er ook veel geld werd verdiend aan de goederen die er mee geproduceerd werden. Dan hebben we het bijvoorbeeld over suiker, katoen, tabak, zilver, cacao, thee en koffie. Aan de andere kant waren grootschalige ondernemingen zoals de VOC en de WIC en het koloniale bestuur in de negentiende eeuw grootschalige afnemers van producten en diensten uit Nederland. Als we met een economische bril naar slavernij en de slavenhandel kijken, en ook deze producten en diensten (ook wel ‘spin-off’ genoemd) meenemen, dan wordt duidelijker in welke mate er van geprofiteerd is. Lange tijd is door historici namelijk hoofdzakelijk gekeken naar de directe financiële opbrengsten van de plantages en naar de opbrengsten van de slavenhandel. Daar is de laatste jaren verandering in ontstaan. Volgens een studie uit 2019 bedroeg bijvoorbeeld het aandeel van Atlantische slavernij inclusief de bijbehorende ‘spin-off’ in 1770 maar liefst 5,2 procent van het bruto nationaal product van Nederland.1 Hier waren de VOC-opbrengsten nog niet in meegenomen.
Drenthe was in de zeventiende en achttiende eeuw niet hermetisch afgesloten van de rest van Nederland in economisch opzicht. Hetzelfde gold voor de negentiende eeuw, toen de Nederlandse Handel-Maatschappij vanaf 1827 de draad van de VOC en de WIC verder oppikte. Aangezien de slavernij pas werd afgeschaft in 1863 kan ook in deze eeuw nog gesproken worden van indirect profijt van slavernij. Hiernaast moet ook niet vergeten worden dat de Nederlandse koloniale aanwezigheid in deze gebieden, met alle economische voordelen van dien, nog veel langer heeft geduurd. En de dekolonisatie in de twintigste eeuw beëindigde niet de economische voordelen die over meerdere eeuwen waren opgebouwd.
De voorbeelden uit dit hoofdstuk dienen als eerste korte verkenning van de manieren waarop men in Drenthe indirect profijt kon hebben van het bestaan van slavernij in de Nederlandse koloniën in Amerika, Afrika en Azië. Vervolgonderzoek is vereist om in beeld te krijgen waar en wanneer in Drenthe nog meer geprofiteerd werd van slavernij op deze manier. Pas dan kan eventueel een inschatting gemaakt worden van hoe groot het aandeel van de opbrengsten van slavernij, inclusief de ‘spin-off’, was in de Drentse economie.
Tabaksvignetten
Oude tabakszaken zijn doorgaans een goede indicatie van indirect profijt van slavernij. Tabak werd op plantages in Azië en Amerika vervaardigd en werd in de loop van de achttiende eeuw populair in Europa. Het Amsterdam Pipe Museum heeft een grote collectie Nederlandse tabaksvignetten uit de achttiende en negentiende eeuw. Hieronder bevinden zich vignetten uit de negentiende eeuw van zes tabakszaken in Assen, vijf in Meppel en één in Nieuwediep.2 Waarschijnlijk bestonden er nog meer tabakszaken in Drenthe, maar daar zijn geen vignetten van bewaard gebleven. Als we de verschillende vignetten bekijken wordt het duidelijk dat de meeste van deze winkels ook andere koloniale waren verkochten. Winkels die tabak verkochten, adverteerden doorgaans ook met het feit dat ze koffie, thee en kruidenierswaren verkochten. Kruidenierswaren behelsden in de negentiende eeuw onder andere suiker, met suiker houdbaar gemaakte voedingsmiddelen en specerijen uit Zuidoost-Azië.
De relatief grote hoeveelheid tabaksvignetten uit Assen is te verklaren door het feit dat de stad sinds 1815 tot hoofdstad van de provincie was verheven. Ook begon het sinds het einde van de achttiende eeuw al meer en meer te fungeren als standplaats van de Drentse elite. De eerste sigarenfabriek van Drenthe werd in 1869 opgericht in Assen, door Johannes Wilhelmus Küller (1844-1892). De eerste fabriek was gevestigd in de Groningerstraat in Assen. In 1872 richtte de firma Küller een tweede fabriek op in Assen gelegen op de hoek van Nieuwe Huizen en de Noordersingel. In de beginjaren verdiende Küller circa 500 gulden (€ 12.486) per jaar aan zijn tabaksfabriek. In 1885 was zijn jaarlijks inkomen gestegen naar 1500 gulden (€ 45.292). Rond deze periode had de firma circa 80 mensen in dienst. Een jaar eerder had hij al een derde fabriek opgericht in Assen aan de Kerkstraat. Uiteindelijk zouden deze tabaksfabrieken in Assen actief blijven tot 1902, toen na meerdere arbeidsconflicten besloten werd de firma Küller te verplaatsen naar Eindhoven omdat hier de loonkosten lager waren.3

Meppel
Het grote aantal tabaksvignetten uit Meppel is te verklaren door de unieke positie die deze stad innam als doorvoerhaven van alle Drentse turf naar Blokzijl of Zwartsluis in Overijssel. Van hieruit werd de turf vervoerd naar de grotere steden zoals Amsterdam, waar de economische bloei die hier ontstond in de zeventiende eeuw – mede mogelijk gemaakt door slavernij – had geleid tot een groeiende vraag naar turf.4 Deze handelsverbinding maakte vervolgens de handel in andere goederen mogelijk. Vanuit Amsterdam ontving Meppel specerijen, noten, rijst, suiker, tabak en anderen koloniale waren. Meppel leverde aan Amsterdam onder andere slachtvee, granen, textiel en de al eerder genoemde turf.5 In deze context ontwikkelde Meppel zich tot een stad die meer leek op andere steden uit de Republiek dan op andere steden in Drenthe.6 Meppel beschikte al relatief vroeg over een economische sector die we als ‘luxe nijverheid’ zouden kunnen bestempelen. Hierbij moet gedacht worden aan goud- en zilversmeden of bijvoorbeeld wagenmakers.7 Meppel was ook de enige plaats in Drenthe waar de ambachtslieden zich verenigden in gilden.8
In een overzicht van in Meppel gevestigde fabrieken van 1813 zijn er meerdere fabrieken te vinden die koloniale goederen verwerkten of juist goederen produceerden die door de koloniale mogendheden werden afgenomen. Specifiek ging het om: katoenspinnerij Kluijn en Bakker (gevestigd 1805), satinetfabriek H. Uiterwijk, vroeger W. Essink (gevestigd 1777)9, zeilmakerij F. van Antwerpen (gevestigd 1776) en zeilmakerij K. van Raalte (gevestigd 1803). Het overzicht vermeld acht zilversmeden, maar specificeert niet wie deze zilversmeden waren.10 Met acht zilversmeden was Meppel een stad waar de luxe-nijverheid een voor Drentse begrippen grote rol speelde. Zilver- en goudsmeden werden slechts incidenteel vermeld in andere plaatsen. Zo zien we bijvoorbeeld in een overzicht van de samenstelling van de bevolking van Hoogeveen uit 1798 twee zilversmeden vermeld staan.11 En in Coevorden zijn er nog goud- en zilversmeden terug te vinden in een gemeentelijk overzicht van fabrieken en bedrijven uit 1843.12
De zeilmakerijen van Meppel zijn in bijzonder het benoemen waard. Vanaf het midden van de achttiende eeuw leverden Meppeler zeilmakerijen zeildoeken aan zowel de WIC als de VOC. Vanaf het einde van de achttiende eeuw produceerden de Meppeler zeilmakerijen zelfs een eigen type zeildoek, het zogenaamde ‘everdoek’, dat werd gebruikt door de schepen van beide organisaties.13 Het doek was met name geschikt voor oorlogsschepen omdat het lichter en makkelijker te hanteren was dan de gebruikelijke zwaardere canvas zeildoeken. In het laatste kwart van de achttiende eeuw, toen de productie op zijn hoogtepunt was, waren er in Meppel zo’n 200 weefgetouwen die deze zeildoeken fabriceerden.14
Andere fabrieken uit het overzicht profiteerden soms voor een deel van het bestaan van koloniale handelsnetwerken. Zo importeerden de meerdere leerlooijers uit het overzicht bijvoorbeeld een deel van hun huiden uit de West-Indische koloniën.15 Ook de brouwerijen produceerden niet alleen voor de plaatselijke consumptie. De veerschepen vervoerden geregeld vaten bier, en van één bierbrouwer uit Meppel is het zelfs bekend dat hij vaten bier leverde aan de West-Indische Compagnie.16
Hoewel er in het overzicht uit 1813 nog geen tabaksfabriek te vinden was, zou de tabaksnijverheid in de negentiende eeuw uitgroeien tot de sector met de meeste werknemers in Meppel. Dit resulteerde in de oprichting van tabaksfabriek ‘De Eendracht’. Deze fabriek was opgericht door de gebroeders Geert, Hendrik en Gerrit Jakobs en heeft bestaan van 1873 tot 1966. Met tabak aangevoerd vanuit Amerika, Sumatra en Java werden onder de merknaam ‘Gebroeders Jakobs’ sigaren met landelijk bekende namen als ‘Old Smokers’ en ‘Nederlandsche Vlag’ gefabriceerd.17
Ossen in Roswinkel en Schoonebeek
In Roswinkel en Schoonebeek werd op een andere manier indirect geprofiteerd van slavernij. Hier werd de grootschalige opfok van slachtrunderen in de zeventiende en achttiende eeuw mede mogelijk gemaakt door de grote constante behoefte aan slachtrunderen van de VOC. De compagnie had halverwege de zeventiende eeuw namelijk jaarlijks zo’n 2000 slachtrunderen nodig om de vloot van gezouten rundvlees te voorzien.18 Magere ossen werden vanuit zowel Scandinavië als omringende Drentse dorpen ingevoerd en in Roswinkel en Schoonebeek vetgemest, om ze vervolgens door te verkopen. Een groot veebedrijf in de zeventiende eeuw kon zo’n 2 tot 3 ossen per jaar op deze manier gereed maken voor de verkoop. Jaarlijks werden er zo’n 3000 in Drenthe opgefokte Ossen buiten Drenthe verkocht. Dit betekent dat er een zeer grote concentratie van veeboeren in Roswinkel en Schoonebeek geweest moet zijn die zich hier mee bezig hielden.19 Tot 1700 voerde Roswinkel aanzienlijk meer slachtvee uit dan Schoonebeek. In de achttiende eeuw daalde de uitvoer aanzienlijk toen steeds meer boeren zich in Roswinkel gingen richten op landbouw. In Schoonebeek bleef de uitvoer relatief gelijk, waardoor het in de loop van de achttiende eeuw de grotere uitvoerder van slachtvee werd.20
1 Pepijn Brandon en Ulbe Bosma, ‘De betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw’. Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (TSEG) – The Low Countries Journal of Social and Economic History Vol. 16, nr. 2 (2019): 5-46.
2 “J. Vos, Tabak, Snuif Sigaren, Thee en Kruidenierswaren te Assen.” Datering 1830-1880. (Collectienr. APM 25.963); “Het Wapen van Drenthe. Uit de Tabaksfabriek van J.W. Küller te Assen.” Datering 1820-1890 (Collectienr. APM 25.255); “Het Paard. Tabak, Snuif, Sigaren, Koffij, Thee en Kruidenierswaren, bij J.B. Smit, te Meppel.” Datering 1770-1860 (Collectienr. APM 25.040); “De Landbouw. Tabak, Snuif en Sigaren, Koffij en Thee, alsmede Kruidenierswaren te bekomen bij C. Kniphorst aan de … (onleesbaar) te Meppel.” Datering 1800-1900. (Collectienr. 25.174); “DE RUSTENDE JAGER. Deze en meer andere soorten van Tabak, Snuif en Sigaren, alsmede Grutterswaren, zijn te bekomen bij JACOB FRANSEN, tegenover het Postkantoor te Meppel.” Datering 1830-1880. (Collectienr. APM 25.277); “De Wed. JOHs MEURSINGE en ZOON, Kerven vele soorten van TABAK, Verkoopen in het Groot en Klein alsmede SNUIF, SIGAREN, KOFFIJ EN THEE. Wonen het tweede huis van de Pandersteeg, te Meppel.” Datering 1820-1900 (Collectienr. APM 25.170); “Tabak, Snuif, Sigaren, Koffij, Thee en Kruidenierswaren in het Wapen van Amsterdam aan den Brink te Assen (…) W. VEEZE en ZOON.” Datering 1820-1900 (Collectienr. 25.267); “GEBR. J.&H. OOSTERVEEN, Nz. Te ASSEN” Datering 1840-1880 (Collectienr. APM 25.790); “G.G. LAMBERS. Fabriceert en verkoopt deze en alle andere soorten van TABAK, SNUIF, SIGAREN en zoomede alkle soorten van KRUIDENIERSWAREN te Assen” Datering 1850-1890 (Collectienr. 25.891); “M.S. van ESSEN te ASSEN. Verkoopt deze en meer andere soorten van TABAK, SNUIF, SIGAREN, KOFFY, THEE en KRUIDENIERSWAREN in het Groot en Klein” Datering 1850-1890 (Collectienr. APM 25.898); “COLUMBUS // G. COLOM in Wijnen, Likeuren, Binnen en Buitenlandsch Gedistilleerd, TABAK, SNUIF en SIGAREN te NIEUWEDIEP. // G. COLOM at NEWDIEP in Wine, Liquor, Brandy and Gin of all sorts, Tobacco, Snuff and Cigars” Datering 1850-1900 (Collectienr. APM 25. 321); “HOTEL BONTEKOE, MEPPEL. J. JANSEN KELNER” Datering 1850-1900 (Collectienr. APM 25.786).
3 P. Brood, “In volle ontplooiing: Assen tussen circa 1807 en 1920”, in: H. Gras e.a. (red.), Geschiedenis van Assen (Assen: Van Gorcum, 2000), 230; M.H.D. Hiemink en P.H. Sprik, In rook opgegaan: De geschiedenis van ruim honderd jaar Asser tabaksindustrie en -handel (Assen: Vanderveen, 1993), 30-31.
4 M.A.W. Gerding, Geschiedenis van Drenthe: In nieuw perspectief (Assen: Van Gorcum, 2018), 46.
5 E.L. Boezen en L.L. Jagersma, “De economische ontwikkeling van Meppel van 1600 tot 1970”, in: M.A.W. Gerding e.a. (red.), Geschiedenis van Meppel (Meppel: Boom, 1991), 115.
6 Gerding, Geschiedenis van Drenthe, 85-86.
7 Boezen en Jagersma, “De economische ontwikkeling van Meppel van 1600 tot 1970”, 143
8 Gerding, Geschiedenis van Drenthe, 85.
9 Satinet is een katoenen stof, aan één kant fijn geweven en hierdoor glanzend en zacht als satijn, en aan de andere krant grof geweven en hierdoor doffer en ruwer.
10 Volkstelling Meppel 1913; Boezen en Jagersma, 157-158.
11 M.A.W. Gerding, “De economische ontwikkeling van Hoogeveen 1625-1815”, in: M.A.W. Gerding e.a. (red.), Hoogeveen: oorsprong en ontwikkeling 1625-1813 (Hoogeveen: Slingenberg B.V., 1983), 80.
12 H. Gras (red.), Drenthe’s veste: geschiedenis van Coevorden (Groningen: Endymion, 1998), 268.; Gemeentearchief Coevorden, Staat van veranderingen welke in de fabrieken, trafieken en bedrijven, sedert de voor vijf jaren gedane opgave hebben plaatsgehad in de Gemeente Coevorden. Naar aanleiding van het besluit van de Gouverneur der Provincie Drenthe d.d. 11 november 1843, nr. 7477 en 10 mei 1849, nr. 2892
13 E.L. Boezen en L.L. Jagersma, “De economische ontwikkeling van Meppel 1600 tot 1970.” In Geschiedenis van Meppel. Red. M.A.W. Gerding, 130. Meppel: Boom, 1991.
14 Gerding, Geschiedenis van Drenthe, 85.
15 Boezen en Jagersma, “De economische ontwikkeling van Meppel 1600 tot 1970”, 141.
16 Ibidem, 132.; Drents Archief, Toegangsnr. 0001, inv.nr. 251 (Hier staat de Meppeler brouwer in vermeld)
17 Ibidem, 143.
18 W. Gijsbers, Kapitale Ossen: De internationale handel in slachtvee in Noordwest-Europa (1300-1750) (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 1999), 56-57.
19 P. Brood e.a. (red.), 400 jaar venen rondom Emmen (Bedum: Profiel, 2011), 23.
20 J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600-1910: Een nieuwe visie op de ‘oude’ landbouw (Wageningen: Landbouwuniversiteit, 1987), 377.


