Spring naar inhoud

Archief De Milly

Drentse slavenhouders

Drentse slavenhouders

Zoals gezegd is het Nederlandse slavernijverleden een geschiedenis die zich in vijf continenten afspeelde. Afgezien van Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Afrika en Azië, moeten we het namelijk ook over Europa, en daarbinnen Nederland en Drenthe hebben. Ondanks het feit dat slavernij in de Republiek der Zeven Nederlanden zelf onwettig was, keerden Nederlanders regelmatig terug uit de koloniën met Afrikaanse of Aziatische bedienden die alles behalve vrij waren om te gaan en staan waar ze wilden. Andere Nederlanders lieten de slavernij weliswaar achter in de koloniën, maar namen het kapitaal dat ze met slavernij hadden vergaard, met zich mee. Wat wel eens onderbelicht blijft is hoeveel Nederlanders er slavenhouders waren, zonder zelf ooit de onvrijheid en onderdrukking waar ze van profiteerden van dichtbij te hebben aanschouwd. Met name de Zuid-Amerikaanse plantage-slavernij werd in grote mate gekenmerkt door het absenteïsme van de eigenaren. Plantages hadden meestal niet een enkele eigenaar, maar vele eigenaren. Het eigenaarschap was verdeeld onder verschillende aandeelhouders. Als deze aandeelhouders overleden, werden hun aandelen verdeeld onder de erfgenamen. Dit zorgde in de praktijk vaak voor een steeds verdere opsplitsing van het aandelenbestand.

Compensatiedossier 1863

In onze zoektocht naar Drentse aandeelhouders van slavernij-plantages hebben we gebruikt gemaakt van verschillende methoden. Om te beginnen keken we naar het Compensatiedossier 1863. Voorafgaand aan de afschaffing in Suriname en de Nederlandse Antillen in dat jaar had de Nederlandse overheid namelijk een overzicht gemaakt van zowel de vrijverklaarde slaafgemaakten als hun voormalige eigenaren. Op basis van dit overzicht konden de voormalige eigenaren van plantages in Suriname aanspraak maken op een vergoeding van 300 gulden (€3.500) per persoon die op de plantages waar ze aandelen hadden was vrijgemaakt. De vergoeding voor vrijgemaakten op Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint-Eustatius en Saba bedroeg 200 gulden (€2.333), terwijl de vergoeding op Sint-Maarten 100 gulden (€1.166) was. De aangiftes die voormalige eigenaren deden van de mensen die ze in slavernij hielden, ook wel borderellen genoemd, worden bewaard in het archief van de Algemene Rekenkamer in het Nationaal Archief in Den Haag. Historicus Okke ten Hove en Heinrich Helstone hebben deze borderellen overgeschreven, en daarna gedigitaliseerd. De resultaten hiervan zijn te doorzoeken op de website van het Nationaal Archief. Door te zoeken naar Drentse plaatsnamen hebben we drieëntwintig erfgenamen van Drentse slavenhouders kunnen achterhalen die in 1863 gecompenseerd zijn. Het feit dat achttien van de drieëntwintig gecompenseerde Drenten in Assen woonden, is een reflectie van hoe de stad zich had ontwikkeld tot de vaste standplaats van de Drentse elite. Dit proces was al ingezet in de tweede helft van achttiende eeuw en zette door nadat Assen in 1814 de hoofdstad werd van de provincie. Een organisatie als de ‘Asser Heerensociëteit’, oorspronkelijk opgericht in 1780 door de Drentse edelman Sigismund Pieter Alexander van Heiden-Reinestein, was de facto dan ook een sociëteit van de gehele Drentse elite, en niet alleen die van Assen.1

Brumsteede – Servatius – Van Bulderen

Dertien van de drieëntwintig gecompenseerde Drenten waren afkomstig uit de familie Brumsteede. Helaas werd in het compensatiedossier niet vermeld hoe groot hun respectievelijke aandelen in de Surinaamse suikerplantage ‘t Fortuin waren. Wat we wel weten is dat er in 1863 130 slaafgemaakten werkzaam waren op deze plantage. Volgens het Compensatiedossier was er voor 127 van deze 130 slaafgemaakten compensatie berekend. Slaafgemaakten die te oud om te werken of om een andere reden arbeidsongeschikt waren, vertegenwoordigden hierdoor geen economische waarde meer. Daarom werd er geen vergoeding voor ze uitbetaald. Met een compensatie van 300 gulden per persoon betekent dit dat de aandeelhouders van plantage ‘t Fortuin gezamenlijk 38.100 gulden (€ 444.533) ontvingen van de Nederlandse staat. Er stonden in totaal 46 voormalige eigenaren vermeld.

De opmerkingen die in het dossier werden gegeven bij deze verschillende Drenten verduidelijken hoe de aandelen in de familie Brumsteede terecht waren gekomen. Hilarius Auguste Mijnardus Brumsteede was namelijk ‘[w]eduwnaar van Martina Everhardina, privé en als voogd en vader van twaalf kinderen en stiefkinderen; erfgenaam van Joan Jacobus van Bulderen’. Bij deze twaalf kinderen staat de opmerking ‘(Stief)kind van Hilarius Augustus Mijnardus Brumsteede en Martina Everhardina Servatius; erfgenaam van Joan Jacobus van Bulderen’.2 De al eerder overleden Martina Everhardina Servatius was op haar beurt weer de dochter van de in 1860 overleden Gerard Pieter Servatius. Zijn levensgeschiedenis is het vermelden waard. Enerzijds omdat hij een Drent was die als ambtenaar van het koloniale gezag in Nederlands-Indië veel geld had verdiend. Anderzijds omdat alle Drentse gecompenseerde aandeelhouders (en ook een aantal aandeelhouders die niet Drents waren) van ‘t Fortuin familiebanden met hem hadden.

Gerard Pieter Servatius in Indramayu. Circa 1850-1852. Digital Collections, Universiteit Leiden

Gerard Pieter Servatius (1797-1860) was geboren in Zuidlaren en vertrok in 1819 naar Nederlands-Indië. Hier werkte hij aanvankelijk als klerk en later als opziener en controleur in Batavia (Jakarta) voor het koloniale gezag. In 1834 werd hij de hoogste ambtenaar van het plaatselijke bestuur van Lebak en later de bestuurder van meerdere afdelingen van het plaatselijke bestuur van Indramayu. Beide waren vestigingen gelegen op West-Java. Vanaf 1843 werd hij in West-Java de directeur van theeonderneming Tjoemboeloeit, genaamd naar een nabijgelegen rivier. De onderneming bestond uit zowel een grootschalige plantage als een theefabriek. Servatius verwekte in 1824 een dochter bij een vrouw genaamd ‘Olympia NN’. Het is niet bekend wie zij was en of ze bijvoorbeeld zijn bediende of misschien tot slaaf gemaakt was. Zijn dochter Gesina Elisabeth (1824-1886) werd geboren in Buitenzorg (Bogor) op West-Java. Mogelijk verbleef hij tijdens de geboorte van Gesina Elisabeth bij zijn oudere broer Willem Nicolaus, die van 1822 tot 1827 landheer was bij Buitenzorg. In 1825 werd zijn tweede dochter Johanna Henrietta Gerardina Servatius (1825-1867) geboren in de Pattie-residentie in het Japara regentschap aan Java’s noordoostelijke kust. In 1827 werd zijn derde dochter Martina Everhardina (1827-1863) geboren in Semarang. De moeder van zijn tweede en derde dochter was de Chinese Lie Tjim-Nio. Over haar is weinig bekend. Hij was met geen van beide vrouwen getrouwd.

In 1842 huwde hij met de in Groningen geboren Catharina Maria van Bulderen (1823-1872). Zij was de dochter van Joan Jacobus van Bulderen, die op dat moment de financieel administrateur was van Tjoemboeloeit. Catharina Maria van Bulderen werd in 1863 gecompenseerd met 302 gulden (€ 3.523) voor haar 1/126e aandeel in plantage ‘t Fortuin in 1863. In 1844 keerde Servatius terug naar Nederland om zich in Assen te vestigen. Van 1851 tot zijn overlijden in 1860 was hij hier wethouder.

Servatius’ dochter Martina Everhardina trouwde in 1844 op Java met de in Zutphen geboren KNIL-militair Hilarius Augustus Mijnardus Brumsteede (1816-1881). Nadat Gerard Pieter Servatius in 1844 terugkeerde naar Nederland werd Brumsteede de nieuwe directeur van Tjoemboeloeit. Uit een anoniem verslag in het dagblad De Indiër van 28 juli 1855 doemt het beeld op van Brumsteede als een tirannieke opzichter:


Ieder inlander, onverschillig man of vrouw, die zich in het oog des heeren B. aan de minste overtreding schuldig maakt, wordt aan beide polsen met een touw stevig gebonden, en aan een balk opgeheeschen, tot dat de teenen nog slechts even de grond raken; en in die onlijdelijke positie blijven zij een halven of een geheelen dag, al naar mate zij in de gunst des landheer deelen: van ooggetuigen is mij verhaald, dat er bij geweest zijn, die, na flauw gevallen en wederom bijgebragt te zijn, die strafoefening op nieuw ondergingen.

Dit bleek voor de maatstaven van de Indische koloniale overheid te hardhandig. Een jaar later werd Brumsteede veroordeeld voor de extreme straffen waar hij zijn personeel aan blootstelde. Niet veel later, in 1857 vestigde Brumsteede zich met zijn gehele gezin in Assen. Van 1861 tot 1874 was hij hier wethouder en locoburgemeester.3

Na zijn overlijden in 1881 werd Hilarius Augustus Mijnardus Brumsteede bijgezet in het grafmonument van de familie Brumsteede in Assen.

Als we kijken naar de rest van de voormalige eigenaren die in 1863 vermeld worden bij plantage ‘t Fortuin, dan valt op dat er geen andere leden van de Brumsteede familie terug te vinden zijn. Wel worden meerdere leden van de familie Servatius familie en van de familie Van Bulderen vermeld. Twee gecompenseerde leden van de familie Servatius waren volgens het dossier woonachtig in ‘Oost-Indië’.4 Aanzienlijk meer voormalige aandeelhouders kwamen uit de familie Van Bulderen, onder wie Anna Alyda en Catharina Maria van Bulderen.5 Bij Anna Alyda werd vermeld dat ze erfgenaam was van Joan Jacobus van Bulderen. Bij Catharina Maria van Bulderen werd alleen vermeld dat ze de weduwe was van Gerard Pieter Servatius.

De Vos van Steenwijk – Van Holthe

De Drentse adellijke geslachten Van Holthe en De Vos van Steenwijk kwamen ook voor het in compensatiedossier. Susanna Leonora van Holthe (1818-1907) en Aalt Willem Westra van Holthe (1823-1913) werden ieder met 457 gulden (€ 5.332) voor een 3/252e aandeel in de Surinaamse suikerplantage ‘t IJland gecompenseerd. Susanna Leonora en Aalt Willem waren respectievelijk de dochter en de kleinzoon van de in 1854 in Dwingeloo overleden Aalt Willem van Holthe (1780-1854). Ze hadden hun aandelen van hem geërfd. Hij had niet alleen aandelen in plantage ‘t IJland, maar ook in koffieplantage De Peperpot.6 Aalt Willem van Holthe kwam in het bezit van zijn aandelen dankzij zijn huwelijk met Geertruid Agnes van Dedem (1774-1858), de dochter van Susanna Eleonora de Vos van Steenwijk (1752-1823). Zij was op haar beurt weer de dochter van Jan (Joan) Arent de Vos van Steenwijk (1746-1813) en Coenradina Wilhelmina van Isselmuden tot Paaslo (1745-1808). Deze familieconnectie is relevant, omdat de aandelen in deze plantages oorspronkelijk in het bezit waren gekomen van het geslacht De Vos van Steenwijk in 1791. In dat jaar overleed Coenradina Wilhelmina’s Gelderse oom Lucas Willem van Essen (1739-1791), en liet hij haar zijn aandelen in deze plantages na.7 Dit verklaart ook de aandelen van Jan Arend Godert baron de Vos van Steenwijk (2/45 aandeel), Rolina Gijsberta Gerdina de Vos van Steenwijk (2/45 aandeel in ‘t IJland), Reint Hendrik baron de Vos van Steenwijk (2/45 aandeel in ‘t IJland) en Anna Adriana barones de Vos van Steenwijk (1/27 aandeel in ‘t IJland).8 De 2/45e aandelen in ‘t IJland waren elk goed voor 1.680 gulden (€ 18.601). Voor het 1/27 aandeel werd 1400 gulden (€ 16.334) uitbetaald.

Aalt Willem van Holthe
Susanna Leonora van Holthe

Uit twee archiefstukken uit het Huisarchief Oldengaerde blijkt hoe de aandeelhouders in Nederland op de hoogte gehouden werd van het reilen en zeilen op de plantages. In ‘Stukken betreffende het beheer van de plantages ‘t Yland en de Peperpot in Suriname; 1796-1863’ zijn meerdere losse aantekeningen en communicaties verzameld omtrent de gang van zaken op de beide plantages over de periode 1796-1863.9 Een apart archiefstuk is het ‘Verslag van de administratie van de plantages ‘t Yland en de Peperpot te Suriname; 1835’. Aalt Willem van Holthe was in 1835 de eigenaar van de havezate Oldengaerde in Dwingeloo en had aandelen in beide plantages. Afgezien van een gedetailleerd overzicht van de materiële stand van de plantages, en de financiële jaaropbrengsten, werden in beide archiefstukken aparte hoofdstukken gewijd aan de zogenaamde ‘Slavenmagt’.

Overzicht van slaafgemaakten die leefden op plantages Peperpot en ‘t IJland in 1835
Overzicht van de slaafgemaakten die leefden op plantage ‘t IJland op 1 Januari 1860

Eekhout

Pierre Jean Louis Eekhout uit Smilde beschikte over aandelen met een gezamenlijke waarde van 3.821 gulden (€ 44.581) in de Surinaamse suikerplantage Meerzorg.10 Hij werd in het dossier omschreven als ‘vervener’ uit Smilde. Eekhout (1816-1885) was geboren in Breda en trouwde in 1849 in Den Bosch met de in Curaçao geboren Elisabeth Christina Eekhout (1829-1892), nadat zijn eerste vrouw was overleden.11 Kort hierna vertrok hij naar Smilde. De geboorteakte van zijn eerste zoon, geboren in de gemeente Smilde, vermeldde hem nog als ‘grondeigenaar’.12 In de geboorteaktes van zijn latere kinderen werd hij meerdere malen omschreven als ‘vervener’ of ‘veeneigenaar’.13 De huidige Eekhoutswijk in Smilde verwijst nog naar de rol die Pierre Jean Louis speelde in het ontginnen van het veengebied tijdens zijn verblijf in Smilde. Eekhout was in de negentiende eeuw ook eigenaar van meerdere woningen in het dorp.14 In 1860 werd hij ingeschreven in het bevolkingsregister van Assen.15 Later vertrok hij samen met zijn vrouw naar Pretoria in Zuid-Afrika, waar hij op 22 november 1885 overleed. Zijn overlijdensbericht in het dagblad Het nieuws van den dag vermeldde dat hij Advocaat Procureur in de Zuid-Afrikaanse Republiek en zeeofficier van de Nederlandse marine was geweest.16 Pierre Jean Louis Eekhout was niet de enige van zijn familie met aandelen in plantages. Ander leden van de familie Eekhout werden ook vermeld als aandeelhouders van plantage Meerzorg.17

Adelaar

Een andere gecompenseerde Drentse aandeelhouder was Kaatje Adelaar uit Meppel. Kaatje Adelaar (1830-1888) was geboren in Leeuwarden, en ging later in haar leven in Meppel wonen, nadat ze in 1857 trouwde met de in Meppel geboren koopman Salomon Ali Cohen (1825-1862).18 In 1863 werd ze gecompenseerd voor een aandeel in de Surinaamse suikerplantage Poelwijk.19 Onder de voormalige eigenaren worden, naast Kaatje Adelaar, nog tien andere leden van de familie Adelaar vermeld.20 Kaatje zal haar aandelen daarom via haar familie moeten hebben bemachtigd.

Zoeken in het Drents archief

We hebben ook gezocht in het Drents Archief naar documenten die een connectie met slavernij hebben. Om in kaart te brengen wat voor relevante documenten er in het Drents Archief te vinden die zijn, maakten we gebruik van een uitgebreide reeks zoektermen gerelateerd aan slavernij of kolonialisme. De relevante zoekresultaten van deze eerste verkenning hebben we geclassificeerd in drie categorieën: directe connecties met slavernij, indirecte connecties met slavernij en connecties met kolonialisme. Overzichten van zowel de gebruikte zoektermen als de gevonden archiefstukken staan in de onderzoeksgids ‘Drenthe en het slavernijverleden’ op de website van het Drents Archief. We lichten in dit hoofdstuk alleen de gevonden archiefstukken toe die een directe connectie met slavernij hebben.

Cornelis Rijnhardt Vaillant

In het archief Huis Mensinge te Roden ligt een archiefstuk met de naam ‘Akte van verhuur van een slaaf door Jan Planteau jr. aan Cornelis Rijnhardt Vaillant; 1816’.21 Dit is een akte ondertekend in Paramaribo op 24 juni 1816 waarin omschreven werd hoe Cornelis Rijnhardt Vaillant voor een periode van zes maanden een slaafgemaakte ‘mestieze jongen’ genaamd Jacques huurde van Jan Planteau Junior. De term ‘mesties’ werd in deze periode gebruikt om iemand te omschrijven met een gemengde etnische afkomst. Een ‘mesties’ had doorgaans Europese voorouders en voorouders die tot de oorspronkelijke bewoners behoorden van de gekoloniseerde gebieden. Volgens de Surinaamsche Staatkundige Almanak van 1818 deed Jan Planteau Junior samen met anderen de administratie voor meerdere koffie-, suiker-, katoen- en houtplantages.22 Het is niet bekend wat er voorheen of sindsdien met Jacques is gebeurd.

De in Amsterdam geboren jurist Cornelis Rijnhardt Vaillant (1781-1849) trouwde in 1813 in Dalen met Jacoba Maria Louiza Cassa (1790-1849), dochter van Frederik Abraham Cassa (1764-1798) en Johanna Lamina Kymmell (1770-1850).23 Dankzij dit huwelijk ontstond er een connectie tussen Cornelis Rijnhardt Vaillant en de familie Kymmell via zijn schoonmoeder. De familie Kymmell bezat in deze periode de havezate Oldengaerde. Dit verklaart de aanwezigheid van dit archiefstuk in het Drents Archief. In de eerste jaren van zijn huwelijk vervulde Vaillant een functie als commies-griffier in de ‘Cour Impériale en Hollande’ in de Franse Tijd (1811), en functies als substituut-procureur-generaal (1813-1815), waarnemend advocaat-generaal (1814-1815) en uiteindelijk advocaat-generaal in het Hoog Gerechtshof (1815) onder koning Willem I. In 1816 werd hij benoemd tot raad-fiscaal in Suriname. Later dat jaar werd hij gouverneur-generaal van de kolonie. Vaillant zou deze functie blijven vervullen tot 1822. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij raadsheer bij het Hoog Gerechtshof (1823-1838) en de Hoge Raad (1838-1848). In 1849 overleed hij in Den Haag.24

De familie Nieuwold

In het archief Collectie Zwinderman vonden we ‘Stukken betreffende de nalatenschap van C.A. van de Lande-Nieuwold te Suriname’.25 Hierin zit een brief van Catharina Adriana van de Lande (1753-1785) geadresseerd aan de heer F. Nieuwold in Drenthe vanuit Suriname, gedateerd 11 september 1779. Catharina Adriana van de Lande was de eigenares van de Surinaamse plantage suikerplantage Rac-a-Rac. Ze had deze plantage van 550 hectare met een populatie van ongeveer 185 slaafgemaakten gekocht in 1771 met haar eerste echtgenoot voor een bedrag van ongeveer 210.000 gulden (€ 1.911.898). Nadat haar eerste echtgenoot was overleden, hertrouwde ze in 1779 met Fredericus Nieuwold (1747-1779). Fredericus Nieuwold was een kapitein die voor de WIC vanaf 1771 regelmatig koloniale handelswaar en passagiers vervoerde tussen Amsterdam en Paramaribo. Fredericus overleed al binnen zes maanden na zijn huwelijk met Catharina, terwijl ze zwanger was van zijn kind.

Afgezien van de brief bevat het archiefstuk ook een inventaris van de plantage Rac-a-Rac. Hierin werd onder andere “Een rey neeger huysen verdeelt in 5 vertrekken vermeld.” De slaafgemaakten werden in een overzicht vermeld met de namen die ze van de slavenhouders hadden gekregen: 

De “Seer Waarde Vader & Moeder” waar ze zich tot richtte, waren Catharina’s schoonouders, Focco Louwerts Nieuwold (1717-1780) en Anna ten Oever (1716-1807), die op dat moment in Odoorn woonden. Ze hoopte dat ze het kind ter wereld kon gaan brengen om “nog iets tot aandenking te hebben van een waere echtgenoot wiens gemis ik bitterlijk betreur.” Indien ze zelf kindloos zou sterven, dan zouden haar schoonouders haar enige erfgenaam zijn. In de doopregisters van de gereformeerde gemeente Suriname is het kind van Catharina Maria niet terug te vinden, wat impliceert dat het kind nog voor de doop was overleden. Nadat Catharina Maria in 1785 kindloos overleed kwam de familie Nieuwold in het bezit van Rac-a-Rac.26 Op dat moment was haar schoonvader Focco Louwerts Nieuwold al overleden. Drie van zijn kinderen waren op dat moment nog wel in leven: Louwert Fokke Nieuwold (1750-1814), Reina (of Antoinette) Nieuwold (1751-?) en Anna Nieuwold (1855-1827).

Van Louwert Fokke Nieuwold is bekend dat hij in 1789 het landgoed ‘Den Angelslo’ in Emmen kocht voor 5000 gulden (€ 49.338), en dat hij datzelfde landgoed in 1799 weer voor 8500 gulden (€ 74.621) verkocht.27 Zijn dochter Jantje Nieuwold (1789-1854) trouwde met Bernier Lucas Homan (1787-1855) en woonde eerst in Smilde en later in Gieten. Haar zoon uit dit huwelijk was Bareld Fredericus Homan (1819-1880). Hij was geboren in Smilde en overleden in Gieten. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 werd hij gecompenseerd met 4.375 gulden (€ 51.045) voor een 1/24e aandeel in plantage Rac-a-Rac.28 Bareld Fredericus Homan had zijn aandeel met andere woorden geërfd van zijn moeder Jantje Nieuwold, die het op haar beurt weer had geërfd van haar vader Louwert Fokke Nieuwold.

Reina (of Antoinette) Nieuwold trouwde met Antony Nieuwhoff (1733-1819). Bij een overzicht van het eigenaarschap van plantage Rac-a-Rac uit de Surinaamsche Almanak van 1820 werd vermeld dat het voor de helft in bezit was van A. Nieuwhoff. Anthony Nieuwhoff had zelf in 1819 voor zijn overlijden een vierde deel van de plantage gekocht. Na zijn overlijden werd dit deel in elk jaargang van de Surinaamsche Almanak tot en met 1840 vermeld als het eigendom van de ‘Erven Nieuwhoff’. Deze erfgenamen woonden niet in Drenthe, maar op het landgoed Huize Echteler in Emlichheim. Anna ten Oever was al eerder met haar dochter Reina meeverhuisd en hier in 1807 overleden.29

In Surinaamsche Almanak van 1841 stonden de erfgenamen van A. Nieuwold aangegeven als eigenaar van ¼ aandeel in Rac-a-Rac. Dit was een verwijzing naar Anna Nieuwold, het derde kind dat nog in leven was op het moment dat Catharina Adriana van de Lande in 1985 overleed en haar eigendom van de plantage overdroeg aan de familie Nieuwold. In de latere jaargangen van de Surinaamsche Almanak stonden deze erfgenamen niet meer als zodanig vermeld bij de plantage. Anna Nieuwold trouwde in 1783 in Odoorn met de Groningse dominee Lucas van Hulten (1752-1824). Sindsdien woonde het echtpaar samen in Kiel-Windeweer in Groningen. Volgens genealogisch onderzoeker Jan Pieter de Groot had de familie van Hulten een deel van de plantage van Anna Nieuwold geërfd na haar overlijden.30 De enige Van Hulten die in 1863 werd gecompenseerd, werd vermeld als Takke Frederik van Hulten uit Groningen die was gecompenseerd met 4.375 gulden (€ 51,045) voor 1/24e aandeel in Rac-a-Rac.31 In de burgerlijke stand van de provincie Groningen is uit deze periode niemand met de naam Takke Frederik van Hulten te vinden. Fokke Frederik van Hulten (1823-1906), de kleinzoon van Anna Nieuwold die in Veendam woonde is wel terug te vinden.32

Nogmaals zoeken in het Drents Archief

Omdat onze eerste zoekronde alleen archiefstukken opleverde met expliciete slavernij-gerelateerde of koloniale connotaties in de beschrijving, hebben we een tweede zoekronde verricht. Hier zochten we naar relevante archiefstukken waar de connectie met slavernij niet expliciet in de beschrijving is terug te vinden. Om specifiek te zijn: in de archieftoegangen en de hierin voorkomende families die de eerste keer opvallend veel relevante zoekresultaten opleverden, namen we de aanwezige testamenten, boedelinventarissen en memories van successie door. Hierdoor vonden we een aantal nieuwe documenten waarin verwezen wordt naar obligaties in plantages Zuid-Amerikaanse plantages.

Sigismund Pierre Alexander graaf van Heiden Reinestein. Collectie Drents Archief

Sigismund Pieter Alexander van Heiden Reinestein

Sigismund Pieter Alexander (1740-1806) van Heiden Reinestein was een Drentse edelman woonachtig op havezate Laarwoud in Zuidlaren. Van 1776 tot 1795 en van 1802 tot zijn overlijden in 1806 was hij de drost van Drenthe, de historische voorloper van de commissaris van de koning. Vanaf het moment dat hij in 1762 in het bezit kwam van het kasteel met de bijbehorende ridderhofstad Rijnestein in de provincie Utrecht, noemde hij zich Van Heiden tot Rijnestein, wat later Van Heiden Reinestein werd. Sigismund was ook ‘eerste kamerheer’ (de belangrijkste adviseur) van stadhouder Willem V van Oranje-Nassau (1748-1806) en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen (1751-1820). In de achttiende eeuwse politieke strijd tussen de ‘orangisten’ en ‘patriotten’ was Van Heiden Reinestein de meest prominente vertegenwoordiger uit de Drentse elite van de ‘orangisten’. De ‘orangisten’ wensten het stadhouderlijk stelsel met de bijbehorende adellijke privileges in stand wilden houden. Als aanhanger van het ancient regime werd Van Heiden Reinestein tijdens de Franse periode dan ook enkele jaren ontheven uit zijn publieke functies.

Van Heiden Reinestein was onder andere bewindhebber van de Kamer Amsterdam van de VOC. Het archief De Milly van Heiden Reinestein bevat een grote hoeveelheid briefwisselingen, waaronder brieven tussen hem en correspondenten uit de Oost-Indische koloniën in Batavia en Colombo, zoals de gouverneurs van Nederlands-Indië Jeremias van Riemsdijk (1712-1777), Reinier de Klerk (1710-1780) en de weduwe van gouverneur-generaal Petrus Albert van der Parra (1714-1775).33 Zijn betrokkenheid bij het reilen en zeilen in de Nederlandse koloniën blijkt ook uit meerdere dagboekaantekeningen. Hij schreef onder andere over het overlijden van gouverneur Van Riemsdijk (27 april 1778), en over het verloop van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog en wat er hierdoor afwisselend in Oost- en West-Indië gebeurde met ‘onze vestigingen in Indië’ (1 maart 1781), ‘onze oorlogsschepen’ (25 maart 1781) en ‘onze vloot’ (30 april 1781, 8 juli 1782), ‘onze fregatten’ en ‘onze Indiëvaarders’ (23 juni 1781), en ‘onze Indische Compagnie (21 oktober 1781). In 1781 schreef hij in zijn dagboek over het verzoek van een groep Amsterdamse kooplieden die zich hadden gewend tot ‘de Voorzitter, tot de [Raads]Pensionaris en tot Zijne Doorluchtige Hoogheid’ om hun handelsschepen richting Suriname door een beschermend konvooi vergezeld te laten worden (11 oktober 1781). ‘Zijne Doorluchtige Hoogheid’ Willem V zegde aanvankelijk de groep kooplieden een konvooi van twee oorlogsschepen en drie of vier fregatten toe. De kooplieden kwamen ‘s avonds bij Van Heiden Reinestein op bezoek om hem gezamenlijk te bedanken voor de belangstelling die voor hun zaak aan de dag had gelegd. (15 oktober 1781). Twee maanden later moest Willem V blijkbaar toch terugkomen op zijn eerdere toezegging ze in het voorjaar van 1782 te laten uitvaren met een konvooi omdat ‘de omstandigheden’ het blijkbaar toch niet toelieten. De groep Amsterdamse kooplieden was hier niet over te spreken (7 en 8 december 1781).34

Door te zoeken in zijn boedelinventarissen vonden we twee archiefstukken waarin vermeld stond dat hij beschikte over twee obligaties ‘op Essequebo’ die elk 1000 gulden (€ 10.913) waard waren. In zijn ‘Staat van den boedel’ uit 1773 en 1778 stonden deze obligaties vermeld.35 Essequebo was, net als Demerara en Berbice, een regio vernoemd naar de ligging aan de gelijknamige rivier in een kolonie ten westen van Suriname. Net als in Suriname werd hier met plantage-slavernij koffie, suiker en katoen voor de Nederlandse markt geproduceerd. We hebben vooralsnog niet kunnen achterhalen om welke obligaties ‘op Essequebo’ het in deze archiefstukken ging. Er bestond destijds weliswaar een plantage genaamd ‘Reinestein’, maar deze lag aan de Demerara rivier, en niet aan de Essequibo rivier. Het is ook mogelijk dat met de obligaties ‘op Essequibo’ verwezen werd naar het zogenaamde plantagekrediet. In deze periode was het gebruikelijk voor de plantage-eigenaren in Essequibo om hun eigen plantages en de hier werkzame slaafgemaakten in onderpand te geven aan Nederlandse handelshuizen. Deze handelshuizen verstrekten de plantage-eigenaren met de financiën voor de aankoop van slaafgemaakten en benodigdheden voor de plantages. De handelshuizen kwamen op hun beurt weer aan hun benodigde kapitaal door obligaties uit te geven aan Nederlandse investeerders.36

De Milly

Gerard Jacob de Milly (1730-1816) was de in Nederland geboren zoon van de in 1726 naar Nederland gekomen Franse militair Louis Alexandre de Milly (1703-1741). In het archiefstuk ‘Akte van ontzegeling en inventarisatie van de boedel van G.J. de Milly' vinden we verwijzingen terug naar aandelen in meerdere plantages in Essequibo en Demerara. De inventarisatie vermeldde onder andere ‘[z]es aandelen in een Negotiatie, onder directie van D.W. van Vloten, op de Plantagie La Providence, alle in dato 1 January 1774, per reste groot ieder honderd guldens [(€ 1.054)]’. Verderop in de inventarisatie vonden we ‘[e]en Acte van Aandeel in de Negotiatie onder directie van D.W. van Vloten, onder Verband van de Plantagie Nooijtgedagt, groot in Capitaal Een duizend guldens [(€ 10.546)] in dato 1 Augustus 1774’. Ten slotte werd nog melding gemaakt van ‘[e]ene Obligatie in de Negotiatie ten behoeve van Planters in de Colonie van Essequibo en Demerary door Mr. Cornelis van der Helm Boddaers opengelegd, Register Utrecht, groot in Capitaal Een duizend guldens [(€ 10.546)], in data 1 January 1768’.

Het is nog de vraag hoe deze aandelen in zijn eigen boedel terecht gekomen zijn. Gerard Jacob de Milly was namelijk op verschillende manieren verwant met mensen die direct of indirect belangen hadden in Nederlandse koloniën in Zuid-Amerika en Azië. In 1769 trouwde hij met Clasina Geertruida Maria Jacobi (1742-1812), die twee jaar eerder gescheiden was van Hendrik Cassa (overleden in 1774). Hendrik Cassa was op zijn beurt weer onderkoopman van de VOC in Batavia. Tegelijkertijd was er een connectie via Gerard Jacob’s broer, Albert de Milly (1732-1790), die secretaris-generaal was van de toenmalige kolonie Suriname. Het kan ook te maken hebben gehad met zijn huwelijk in 1760 met Aletta Anna Maria van Friesheim (1740-1764). Het nageslacht uit dit huwelijk werd uiteindelijk rechthebbende in de nalatenschappen van niet alleen de familie De Milly, maar via de aan Annia Maria van Friesheim gerelateerde families De Waall, Van Bommel, Van Maurik, Van Zurck, en Bylandt Halt. In het deelarchief betreffende het beheer van vreemd vermogen vonden we een archiefstuk genaamd ‘Stukken betreffende de inventaris van de nalatenschappen genoemd onder inv.nr. 14 hierboven en het aandeel van A.T.J. en M.J.W. de Milly daarin, [c. 1785] 5 stukken.’37 Met ‘inv.nr. 14’ werd verwezen naar de ‘Akte van vaststelling door G.J. de Milly van de legitieme portie van zijn kinderen bij A.A.M. van Friesheim in de nalatenschap van hun moeder, 1769; authentiek afschrift, 1770’. Het ging hier met andere woorden om de nalatenschap van Anna Maria van Friesheim aan haar kinderen Alexander Theodoor Jacob de Milly (1760-1838) en Maurits Johan Willem de Milly (1763-1833). In de inventaris van deze nalatenschap uit 1785 vonden we een verwijzing naar ‘Zeeventien obligatien op Demerarij en Essequebo yder a f1000,- (NH: € 10.240)’

Alexander Theodoor Jacob de Milly is vanuit een Drents perspectief interessant, omdat hij in Dalen is overleden in 1833. Maurits Johan Willem de Milly is op een andere manier relevant voor Drenthe omdat zijn zoon Paul Antoine Guillaume de Milly (1807-1890) in 1836 trouwde met Marie Fréderique Isabelle gravin van Heiden Reinestein (1813-1874), waardoor een connectie ontstond tussen de families De Milly en Van Heiden Reinestein.  Bovendien werd hij in 1843 burgemeester van Zuidlaren en werd hij in 1846 toegelaten tot de Ridderschap van Drenthe.

Het is niet verrassend dat Drentse aandelen in plantages in Demerara of Essequibo niet bij onze eerdere zoekronde in het Nationaal Archief naar boven kwamen. Vanaf het eind van de achttiende eeuw stonden deze gebieden – afgezien van een korte periode van bestuur door de Bataafse Republiek van 3 december 1802 tot 19 september 1803 - namelijk onder Brits bestuur. In tegenstelling tot Nederland werd in de Britse koloniën de slavernij al in 1833 afgeschaft. Ook tijdens het Britse bewind bleven echter veel van de plantages in Nederlandse handen. Net als in Suriname en de Antillen werden bij de Britse afschaffing de slavenhouders gecompenseerd. Onderzoek naar deze compensaties gecombineerd met onderzoek in de Drentse notariële archieven zou een logische vervolgstap om boven water te krijgen wat er uiteindelijk met deze obligaties gebeurd is, en in wiens handen ze terecht kwamen. Mocht Alexander Theodoor Jacob de Milly in 1833 nog in het bezit zijn geweest van zijn obligaties, dan zouden zijn erfgenamen ontvangers moten zijn geweest van een Britse compensatie. 

Het Hofstedehuis in Assen

Coenraad Wolter Ellents Hofstede

Coenraad Wolter Ellents Hofstede (1784-1841) was de zoon van Petrus Hofstede (1755-1839), de in Assen woonachtige Oranje-gezinde jurist die onder andere werkte als landdrost en later als gouverneur van Drenthe. Coenraad Hofstede was de op een na jongste zoon van Petrus Hofstede en is onder andere burgemeester geweest van Assen. Het Hofstedehuis in Assen is naar hem vernoemd. Minder bekend van hem zijn de connecties die hij had met slavernij in het Britse Guyana.

Na het afronden van zijn rechtenstudie aan de universiteit van Groningen vertrok Hofstede in 1805 naar Demerary, dat destijds onder Brits bestuur stond, maar nog steeds een sterke Nederlandse aanwezigheid had. Op 1 februari 1806 werd hij hier toegelaten als advocaat bij het Hof van Justitie in Stabroek (het latere Georgetown). Volgens het Drents Genealogisch Jaarboek trouwde hij hier met een vrouw genaamd Magdalena Martin.38 Ze kregen samen een dochter genaamd Susanna Christina Hofstede (1808-1822), die overleed op 14-jarige leeftijd in Assen.39 Magdalena Martin werd in verschillende archiefstukken uit het Britse Guyana uit die periode omschreven als ‘vrije mulattin’ of ‘free coloured’.40 We hebben niet kunnen achterhalen wat er uiteindelijk is gebeurd met Magdalena Martin, of wat haar exacte voorgeschiedenis was.

Wat we wel weten is dat Coenraad in 1810 opnieuw trouwde met Anna Cornelia Loncke (1790-1841), de dochter van de in Demerary geboren Francois Cornelis Loncke, eigenaar van de suikerplantages Strik & Heuvel en De Elisabeth. Het huwelijk vond in Nederland plaats. Uit dit huwelijk kreeg Coenraad een tweede dochter genaamd Annette Cornelie Marie Francoise Ellens Hofstede (1811-1850). Francois Cornelis Loncke overleed in 1815, en getuige zijn testament werden zijn aandelen in beide plantages verkocht.41 Het is mogelijk dat Francois Loncke niet uitsluitend Europese, maar ook Afrikaanse voorouders had. In een namenlijst van de eigenaren van plantages in Demerary werd hij vermeld als ‘creool’.42 Afgezien van deze connectie met slavernij via zijn schoonvader (en wellicht via zijn eerste vrouw) beschikte Coenraad zelf over meerdere aandelen in plantages in Suriname. Zo werd hij in verschillende contracten, opgesteld bij de rechtbank van Demerary, vermeld als eigenaar van aandelen in koffieplantage Twee Gebroeders in 1807, koffieplantage Zorgvliet in 1809, en samen met zijn schoonvader Francois Loncke als eigenaar van de helft van cacaoplantage Sanssouci in 1810.43

Na zijn terugkeer in Nederland kwam Coenraad in 1819 in financiële nood. Hij was genoodzaakt zijn onroerend goed, waaronder ook zijn eigen woning, het Hofstedehuis, als onderpand op te geven voor de schuld van 69.527 gulden (€ 639.165,05) die hij open had staan bij handelshuis J. Heemskerk te Amsterdam. We hebben vooralsnog niet kunnen achterhalen hoe deze schuld was ontstaan. De schuld werd ingevorderd in 1820. Op 5 en 6 juli 1821 werd zijn inboedel geveild in Assen.44 Relatief kort hierna vertrok Coenraad Wolter Ellents Hofstede alleen naar Demerary. De rest van zijn gezin liet hij achter in Assen. Toen de schrijver Jacob van Lennep in 1823 een voettocht door Nederland maakte, schreef hij op 30 juni in zijn dagboek het volgende over zijn ontmoeting met Anna Cornelia Loncke tijdens zijn verblijf bij de familie Hofstede: Haar man is in Demerari. Ik zat tussen [haar] en juffrouw Jansje. De jonge vrouw leek erg te lijden onder de afwezigheid van haar man en ik geloof dat zij het wel op prijs had gesteld als hij een remplacant achtergelaten had. Het bloed van de warme luchtstreken leek ook door haar aders te vloeien, althans, haar woorden, gebaren en lonken waren heel verleidelijk.”45 Uiteindelijk was ze Coenraad alsnog gevolgd naar Demerary. Ze bleven hier samen tot ze beiden in 1841 overleden.46

Het is niet bekend of Hofstede nog over zijn aandelen in Surinaamse plantages beschikte toen hij er in 1821 terugkeerde. Ook is het niet bekend of hij eventueel aandelen had in plantages in het Britse Guyana. Mocht hij hier aandelen hebben gehad, dan zal hij mogelijk een vergoeding hebben ontvangen na de afschaffing van de slavernij in de Britse koloniën in 1833. Uit een brief van zijn hand geadresseerd aan de toenmalige minister van Koloniën Johannes van den Bosch uit 1838, blijkt in ieder geval dat deze Britse afschaffing in zijn ogen desastreuze gevolgen met zich mee had gebracht.47 We gaan uitgebreider in op deze brief en zijn redenaties in hoofdstuk 6. 

1  Zie voor een meer uitgebreide behandeling van de Drentse elite en de manier waarop deze verweven was met de stad Assen: L. Buning, Het herenbolwerk: politieke en sociale terreinverkenningen in Drenthe over de periode 1748-1888 (Assen: Van Gorcum, 1966)
2  NA 2.02.09.09, inv.nr. 224. Borderelnr. PL067; “Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven (Emancipatie 1863)”, Nationaal Archief, 02-12-2024. 
3 Carol Jan Klok, "Tjoemboeloeit", De Zoolstede 2023-2: 10-13
4 Gesina Elisabeth Servatius (Wonosobo, afdeling Ledok, residentie Bagelen, Nederlands Oost-Indië), Johanna Henriette Gerardina Servatius (Lampongsche districten, Nederlandsch Oost-Indië); Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 224, Borderelnummer PL07.
5 Johanna Maria van Bulderen (Amsterdam, Nederland), Jeannette Maria van Bulderen (Kampen, Nederland), Jan Keijzer van Bulderen (Amsterdam, Nederland), Matthijs Salverda van Bulderen (Java, Nederlandsch Oost-Indië), Jacobus Zeno van Bulderen (Java, Nederlandsch Oost-Indië), Joan Jacob van Bulderen (Nederlandsch Oost-Indië), Jetske Meinhardina van Bulderen (Java, Nederlandsch Oost-Indië).; Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 224, Borderelnummer PL07.
6 Jan Bos en Paul Brood, Een tocht langs Drentse havezaten (Meppel: Noordbroek, 1978), 168.
7 Mr. A.N. baron de Vos van Steenwijk, Het geslacht de Vos van Steenwijk in het licht van de geschiedenis van de Drentse adel (Assen: Van Gorcum, 1976), 312-318.
8 Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 228, Borderelnummer PL227.
9 Drents Archief, Toegangsnr. 0403 Huisarchief Oldengaerde, inv.nr. 374.
10 Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 226, Borderelnummer PL143.
11 Huwelijksregister ‘s Hertogenbosch 1849, archiefnummer 50, inventarisnummer 3952, aktenummer 103.; “Brabants Historisch Informatie Centrum”, 03-12-2024. 
12 Geboorteregister Smilde 1850, archiefnummer 0165.027, inventarisnummer 1850, aktenummer 93.
13 Geboorteregister Smilde 1859, archiefnummer 0165.027, inventarisnummer 1859, aktenummer 47.; Geboortegister Assen 1862, archiefnummer 0165.002, inventarisnummer 1862, aktenummer 17.
14 Eekhoutswijk: Smilde”, 03-12-2024. 
15 Bevolkingsregister Assen 1850-1862, archiefnummer 0921, inventarisnummer 652
16 Het nieuws van den dag: kleine courant, 30-01-1886.
17 Vermeld worden: Philis Elisabeth Eekhout (Soest, Nederland), Pauline Marie Henriette Eekhout (Soest, Nederland), Rembrandina of Rijnbrandina Wilhelmina Eekhout (Soest, Nederland), Johan Adriaan Patrick Hendrik Eekhout (New-Gelderland, Port Natal, Zuid-Afrika), Christina of Catharina Elisabeth Eekhout (Soest, Nederland), Christoffel Wilhelm Eekhout (Bezoekie, Nederlandsch Oost-Indië).; Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 226, Borderelnummer PL143.
18 Geboorteregister 1830, archiefnummer 1002, Gemeentebestuur van Leeuwarden, 1811-1914 - Historisch Centrum Leeuwarden, inv.nr. 3379, aktenr. 0395; Huwelijksregister 1857, archiefnummer 1002, Gemeentebestuur van Leeuwarden, inv.nr. 3582B, aktenr. 0135; Bevolkingsregister gemeente Meppel Deel 1, 1850-1863, archiefnr. 2001.15, inv.nr. 30
19 Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 227, Borderelnummer PL173.
20 Marianne Adelaar (Gorinchem, Nederland), Salomon Adelaar (Gorinchem, Nederland), Rudolf Adelaar (Gorinchem, Nederland), Rebecca Adelaar (Zutphen, Nederland), Helena Adelaar (Zutphen, Nederland), Samuel Adelaar (Zutphen, Nederland), Meijer Adelaar (Zutphen, Nederland), Saraatje Adelaar (Dokkum, Nederland), Esther Adelaar (Oude Pekel A, Nederland), Elias Adelaar (Leeuwarden, Nederland).
21 Drents Archief, Archieftoegang 0616 Huis Mensinge te Roden, inv.nr. 1067.
22 Surinaamsche Staatkundige Almanak voor den Jaare 1818 (Paramaribo: J.M. Mulder, 1817) 30, 32, 47, 49, 50, 58, 59, 66, 71, 81, 98.
23 Huwelijksregister Dalen, Dalen 1813, archiefnummer 0166.006, inventarisnummer 1813, aktenummer 18.
24Mr Cornelis Reinhard Vaillant”, Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren 1428-1861, 03-12-2024. 
25 Drents Archief, Toegangsnr. 0635 Collectie Zwinderman, inv.nr. 3 “ Stukken betreffende de nalatenschap van C.A. van de Lande-Nieuwold te Suriname 1779-1781”.
26 Jan Pieter de Groot, “Genealogie (stamboom) van Luitje Claessen. Versie 19 augustus 2013”, 05-12-2024, 
27 Ibidem.
28 Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.02.09.08, inv.nr. 227, Borderelnr. PL182
29 E. Beijer en C.G. Sulpke, Surinaamsche Almanak voor het jaar 1820 (Paramaribo en Amsterdam, 1819), 52.; Jan Pieter de Groot, “Genealogie (stamboom) van Luitje Claessen. Versie 19 augustus 2013”, 05-12-2024, 
30 De Groot, “Genealogie (stamboom) van Luitje Claessen”
31 Nationaal Archief, Toegangnr. 2.02.09.08, inv.nr. 227, Borderelnr. PL 182
32 Zijn huwelijksakte uit Veendam van 1850 laat dit bijvoorbeeld zien: Huwelijksregister gemeente Veendam 1850, aktenummer 33; Ook zijn er meerdere geboorteaktes van zijn kinderen uit Veendam waarin hij vermeld staat. Bijvoorbeeld: Geboorteregister gemeente Veendam 1860, aktenummer 52.
33 Drents Archief, Toegangsnr. 0185 De Milly van Heiden Reinestein, inv.nr's 436, 489A, 850A, 851, 963.
34 S.P.A. van Heiden Reinestein, J.K.H. van der Meer, Lotte van de Pol, Jan Bos, De dagboeken van S.P.A. van Heiden Reinestein: kamerheer en Drost 1777-1785. Assen: Van Gorcum, 2007.
35 Drents Archief, Toegangsnr. 0185 De Milly van Heiden Reinestein, inv.nr. 421. “Stukken betreffende de gemene boedel van S.P.A. van Heiden Reinestein en M.F. geb. van Reede, 1772, 1773, 1778, 1780.”; Drents Archief, Toegangsnr. 0185, inv.nr. 801 “Stukken betreffende obligaties ten gunste of ten laste van S.P.A. van Heiden Reinestein, 1749, 1770-1792, 1802, 1803 19 stukken.”
36 P. Koulen, Financing plantations and slavery: Dutch credit in Essequibo, Demerara and Berbice, 1770-1882. (Proefschrift: Erasmus Universiteit Rotterdam, 2025), 115-118.
37 Drents Archief, Toegangsnr. 0185, inv.nr. 19 "Stukken betreffende de inventaris van de nalatenschappen genoemd onder inv.nr. 14 hierboven en het aandeel van A.T.J. en M.J.W. de Milly daarin, [c. 1785] 5 stukken."
38 B. Jonker, "Asser Parentelen", Drents Genealogisch Jaarboek Nr. 3 (1996): 26.
39 Kees Briët, “Jhr. Mr. Pieter Adam van Holthe, geb. huis Rheebruggen 1782, overl. Demerary 1823.” Nederlandsche Leeuw 2022, vol. 1: p. 36-38.; Successiememorie Assen 0119.03 10, archiefnr. 0119.03, Drents Archief, inv.nr. 10, aktenr. -
40 Nationaal Archief, Toegangsnr. 1.05.21, inv.nr. AZ.3.13 (Scan 164 en 414); In het volgende document wordt ze vermeld als ‘Magdalena Hofstede’: Nationaal Archief, Toegangsnr. 1.05.21, inv.nr. AZ.7.5 (scan 44)
41 Nationaal Archief, Toegangsnr. 1.05.21, inv.nr. AZ.5.26 (Scan 160-163).
42 Nationaal Archief, Toegangsnr. 1.05.06, inv.nr. 59 “Naamlijst van de eigenaars van plantages in Demerary. Juli 1785”
43 Nationaal Archief, Toegangsnr. 1.05.21, inv.nr. AZ.5.22 (Scan 139-141), inv.nr. AZ.3.14 (Scan 140-141), en inv.nr. AZ.1.47 (Scan 49)
44 Briët, “Jhr. Mr. Pieter Adam van Holthe”, 36-38.
45 J. van Lennep, (red.) Geert Mak en Marita Mathijsen, Lopen met van Lennep: de zomer van 1823: dagboek van zijn voetreis door Nederland (Zwolle: Waanders, 2000) 132-134.
46Mr. Coenraad Wolter Ellents Hofstede”, StamboomOnderzoek.com, 08-12-2024. 
47 Nationaal Archief, Toegangsnr. 2.21.028 Inventaris van het Archief van J. van den Bosch, inv.nr. 693 “Memorie van C.W. Ellents Hofstede over de emancipatie der negerslaven in Demerary, met begeleidende brief aan J. van den Bosch. 1838”