Spring naar inhoud

Verplichte aanplant van rietsuiker op de Malang vlakte in Oost-Java. Circa 1870. Leiden University Libraries

De Drentse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid

De Drentse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid​

Slavernij en kolonialisme werden weliswaar bedreven overzee, maar dit betekende niet dat de mensen in het thuisland er niet van profiteerden. Wat nog wel eens onderbelicht blijft, is hoe praktijken en methodes van onderdrukking die overzee ontwikkeld werden, na verloop van tijd ook thuis ingezet werden door overheden tegen hun eigen burgers. Met deze gedachte werpen we een blik op de Drentse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid. De Maatschappij van Weldadigheid was een particuliere organisatie opgericht in 1818 door de militair en staatsman Johannes van den Bosch. Het doel was iets te doen aan de groeiende armoede in de Nederlandse steden en de hiermee gepaard gaande maatschappelijke onrust. De beoogde oplossing was het stichten van landbouwkoloniën, onder andere in Drenthe. De stichting van deze koloniën zorgde voor een aanzienlijk groei van het areaal aan bewerkbare landbouwgrond in Drenthe. Ook zorgde de aanwas van kolonisten voor een groei van de bevolking, met name in dorpen rondom de koloniën zoals Vledder en Norg.1

Johannes van den Bosch

In januari 1818 schreef Van den Bosch een verzoek aan koning Willem I. Hierin zette hij zijn plannen uiteen om gronden die tot dan toe ongecultiveerd waren te laten ontginnen door armen die daarvoor geschikt werden geacht.2 Hiermee zou het armoedeprobleem in de steden aangepakt worden en konden tegelijkertijd onbebouwde gronden in het noorden van Nederland in gebruik genomen worden voor landbouw. Op deze onbebouwde gronden zou een armeninrichting gesticht moeten worden, die tegelijkertijd als landbouwkolonie moest fungeren. Op 25 augustus 1818 legde Johannes van den Bosch zelf de eerste steen voor de eerste koloniewoning van de eerste kolonie in Drenthe, die later de naam Frederiksoord zou krijgen.3 Uiteindelijk werden in Drenthe vier koloniën van Weldadigheid opgericht: de ‘vrije’ koloniën Frederiksoord, Boschoord en Wilhelminaoord en de ‘onvrije’ kolonie Veenhuizen. Andere koloniën werden opgericht in Willemsoord (Overijssel), Ommerschans (Overijssel) en Wortel (Antwerpen). In de ‘vrije’ koloniën werden armen geplaatst zonder directe dwang. De ‘onvrije’ koloniën, ook wel dwangkoloniën genoemd, waren werkinrichtingen voor landlopers en wezen.

De kolonie Frederiksoord, 1818. Rijksmuseum

De praktijk

Hoewel er onderscheid werd gemaakt tussen de zogenaamde ‘vrije’ en ‘onvrije’ koloniën, bestonden er opvallend veel overeenkomsten in de behandeling van de kolonisten. Van de ‘vrije’ kolonisten werd verwacht dat ze hard en veel werkten, maar ze hadden geen controle over de aard van hun werkzaamheden of de planning hiervan. Elke kolonist kreeg dagelijks te horen van de ‘bouwmeester’ welke werkzaamheden er op de toegewezen landbouwgronden verricht dienden te worden. Mocht de opgelegde arbeid de kolonist te veel zijn, dan werd een extra arbeidskracht ingezet die de kolonist uit eigen zak moest betalen. ‘Brutaliteit’ richting leidinggevenden was verboden en werd bestraft, bijvoorbeeld door loon in te houden. Kolonisten die weigerden te werken mochten niet mee eten met de rest van de kolonisten en werden op een dieet van water en brood gezet totdat ze hun arbeidsachterstand hadden ingehaald. Kolonisten mochten niet op eigen gezag de kolonie verlaten. Zelfs een permanent vertrek uit de kolonie was niet toegestaan zolang de kolonisten hun financiële schuld aan de Maatschappij nog niet hadden afbetaald. Een vroegtijdig vertrek zonder toestemming zou leiden tot een gerechtelijke vervolging.4 De koloniën waren namelijk zodanig opgezet dat de kolonisten een schuld aangingen bij de Maatschappij in ruil voor de grond en de middelen die ze aangeleverd kregen om er te kunnen wonen en werken. Ze moesten deze schuld vervolgens met hun eigen opbrengsten terugbetalen. De geoogste gewassen mochten echter alleen verkocht worden aan de Maatschappij, tegen prijzen vastgesteld door de Maatschappij. Meer dan de helft van de kolonisten draaiden in hun eerste jaren verlies.5

In de koloniën heerste militaire discipline. Kolonisten waren verplicht een uniform te dragen en ze droegen medailles om hun rang aan te geven. Deze konden ze verdienen door gewenst gedrag te vertonen en goed werk te leveren. In de ‘onvrije’ koloniën werden mensen in barakken ondergebracht. Kolonisten met de laagste rang sliepen in grote slaapzalen voor mannen en vrouwen. Kolonisten met hogere rangen kregen individuele kamers.6 In de ‘vrije’ koloniën werd de huisvesting daarentegen ingedeeld in gezinseenheden van zes tot acht mensen. In de praktijk bleken maar weinig van de arme families die naar de koloniën kwamen deze samenstelling te hebben, waardoor gezinnen vaak aangevuld werden met wezen of bedelaars uit de ‘onvrije’ koloniën. Onwenselijk gedrag, werkweigering of drankzucht door de vader van het gezin kon leiden tot verbanning van het gezin naar de barakken van de ‘onvrije’ koloniën. Andersom moest een kolonist uit de ‘onvrije’ koloniën zich kunnen opwerken van de barakken, naar een eigen kamer, naar een plaatsing in een gezin in de ‘vrije’ koloniën, en uiteindelijk naar een status van zelfstandige kolonist die zijn of haar schuld aan de Maatschappij van Weldadigheid had afbetaald. Het aangaan van relaties onder de kolonisten werd dan ook gestimuleerd mits dit ook leidde tot nieuwe voor de Maatschappij productieve gezinseenheden.7

Onder dit regime was er voortdurend sprake van werkweigering, desertie en (soms gewelddadig) verzet door de kolonisten. Dit leidde uiteraard weer tot meer repressie en strengere regelgeving, wat vervolgens weer leidde tot meer verzet.8 Met de jaren werd de onvrede in de koloniën steeds groter. De beoogde successen in het bestrijden van de armoede waren zeer beperkt en in de ‘onvrije’ koloniën leden de inwoners regelmatig honger. Dit was weer een vruchtbare bodem voor nieuwe opstanden, zoals de bijvoorbeeld ‘Paasoproer’ in Veenhuizen van 1840.9

De inspiratie

Met dwang, disciplinering en beloning, aangevuld met scholing en religie, probeerde de Maatschappij van Weldadigheid van armen, weeskinderen en bedelaars zelfstandige en ‘nuttige’ burgers te maken. De mogelijkheid tot het terugverdienen van de eigen autonomie, gecombineerd met de (in ieder geval in juridisch opzicht) vrijwillige toetreding tot de ‘vrije’ koloniën, maakt een directe vergelijking met slavernij ongepast. Tegelijkertijd is het ook duidelijk dat deze mensen door de Maatschappij niet geacht werden over dezelfde mate van autonomie en beschaving te beschikken als andere Nederlanders. Rehabilitatie naar vrijheid en autonomie kon alleen plaatsvinden vanuit een positie van relatieve minderwaardigheid en onvrijheid10 . Aan een verblijf in één van de koloniën, met name als dit onder dwang was gebeurd, hing dan ook een hardnekkig stigma. Hier werd immers het ‘ongewenste element’ ondergebracht om de rest van de maatschappij niet tot last te zijn. Hoe hardnekkig zo’n stigma kon zijn is te lezen in Het Pauperparadijs van Suzanne Jansen, waarin ze beschrijft hoe een verblijf in Veenhuizen vijf generaties van haar familie nadelig heeft beïnvloed.11

In zijn voorstel uit 1818 aan koning Willem I voor het oprichten van zijn Maatschappij verwoordde Johannes van den Bosch het als volgt:12


Men vestige slechts het oog op die duizenden van ongelukkigen, die, in weerwil hunner bekwaamheid en bereidwilligheid om te werken, inderdaad honger en dorst lijden, ongekleed door de winterkoude verkleumen, terwijl zij, in schamele hutten opéén gestapeld, bij mangel van de noodige reiniging, aan het ongedierte ter prooi verstrekken, en tot de hoogst mogelijke zedelijke verlaging afdalende, eindelijk in hunne verpeste holen, na al de folteringen van den kampstrijd der natuur met de ontbinding in eene dubbele mate ervaren te hebben, door den dood weldadig worden afgelost. - Is het getal der eigenlijke slaven, op de geheele aarde, wel ooit grooter geweest, dan thans nog dat dezer ongelukkigen in Europa, en was de toestand der eersten bij dien laatsten, over het geheel, wel immer te vergelijken?

Deze opvatting werd gedeeld door veel van zijn burgerlijke tijdgenoten. Armoede was in hoofdzaak een morele kwestie. Het ontbrak de armen alleen aan beschaving en zelfbeheersing. Van den Bosch’ omschrijving van zedelijk verval als het gevolg in plaats van de oorzaak van de armoede was vanuit dit oogpunt nog vooruitstrevend te noemen. Op andere momenten omschreef Van den Bosch de maatschappelijke problemen die de armen en bedelaars in zijn ogen creëerden echter als een “inkankerend kwaad”. Europa, en daarmee ook Nederland, zou volgens hem “nederzinken tot de laagte der slaafsche Oosterlingen” als hier niets aan gedaan zou worden.13 Met deze ‘slaafsche Oosterlingen’ verwees hij mogelijk naar de slaafgemaakten waar hij zelf mee in aanraking was gekomen tijdens zijn verblijf als militair op Java van 1798 tot 1808. Naast zijn werkzaamheden als militair had hij daar ook persoonlijke ervaring opgedaan met slavernij in de landbouw nadat hij in 1803 het landgoed Soedimara ten zuidwesten van Batavia (Jakarta) kocht. De rijstvelden van dit landgoed werden bewerkt door vrije Javanen en slaafgemaakten. Hier leerde hij hoe een grootschalige landbouwonderneming geëxploiteerd diende te worden met onvrije arbeid en leerde hij over het gebruik en de bereiding van mest. Van den Bosch was erg trots op Soedimara, waarmee hij naar eigen zeggen eindelijk een leven kon leiden zoals de andere ‘Indischgasten’. Voor de rest van zijn leven heeft Van den Bosch met regelmaat verwezen naar zijn periode als plantage-eigenaar als waardevolle leerschool.14

Rijstoogst in Soedimara. Circa 1920. Leiden University Libraries

Volgens Van den Bosch had de mensheid een natuurlijke aanleg voor landbouw. Met wat toezicht en uitleg kon iedereen het zich eigen maken. Als de tot slaaf gemaakte Afrikanen op de Amerikaanse plantages het konden, was er in zijn ogen voor Europeanen geen enkele reden te bedenken om niet minstens hetzelfde te laten zien:15


“De duizendtallen, die uit dat werelddeel, zonder eenige kennis van Landbouw, naar onze volksplantingen jaarlijks plagten te worden overgevoerd, en binnen korten tijd ter bebouwing van moeijelijke gronden werden bekwaam gemaakt, bewijzen genoeg, wat men te dezen aanzien van meer beschaafde menschen verwachten mag.”

De lessen

Van 1827 tot 1828 was Van den Bosch verantwoordelijk voor het efficiënter maken van het bestuur en de economie in Nederlandse koloniën in Suriname en de Antillen. Hier nam hij meerdere beslissingen die geïnspireerd waren door zijn opgedane ervaringen met en gedachten over het nut van de Maatschappij van Weldadigheid.

Zo pleitte hij voor het toestaan van het huwelijk onder de slaafgemaakten in de koloniën. Het huwelijk bood de geboren kinderen uit dergelijke gezinnen in zijn ogen de benodigde orde en regelmaat om tot productieve volwassenen op te groeien. Ook zag hij het als een manier om het sterfteoverschot onder de slaafgemaakten om te buigen naar een geboorteoverschot. Verder zouden de slaafgemaakten voortaan niet langer als ‘zaken’, maar als ‘personen’ beschouwd moeten worden. Ze waren echter niet vrij of zelfstandig, maar werden beschouwd als onmondig. De slavenhouders fungeerden als hun curator of voogd, die het recht hadden een ‘vaderlijke tucht’ over ze uit te oefenen.16 Ook waren ze gebonden aan de grond van de plantage van de slavenhouders. Dit rechtvaardigde hij met de juridische term ‘inscripti glebae’, wat afgeleid was van het oude Romeinse ‘adscripti glebae’. Deze term werd onder andere gebruikt in de middeleeuwen om de gebondenheid van horigen aan het grondgebied van hun leenheer te beschrijven.17

De structurele arbeidstekorten waar de Nederlandse Caribische koloniën na de formele afschaffing van de slavenhandel in 1814 mee te kampen hadden, waren volgens hem op te lossen door jonge geschikte Nederlanders over te laten komen. Hierin zag hij een rol weggelegd voor geschikte kolonisten uit de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, die volgens hem immers “eenen geregelden arbeid, en goede discipline gewoon zijn”. De Surinaamse Maatschappij van Weldadigheid, die in 1818 door ‘vrije gekleurde’ en joodse Surinamers opgericht was, moest ook geschikte arbeidskrachten aanleveren. Onder het ‘vrije gekleurde’ ledenbestand van de Surinaamse Maatschappij bevonden zich mensen die zichzelf hadden vrijgekocht of die door hun voormalige eigenaren hun vrijheid hadden gekregen. Volgens Van den Bosch beschouwde deze groep het als privilege niet meer te hoeven werken, met armoede en bedelarij als gevolg. Hij wilde de Surinaamse Maatschappij een stuk land of een plantage schenken zodat de ‘vrije gekleurden’ er konden wonen en werken. Ook hier had het zijn voorkeur dat de kolonisten zich vestigden als gezinnen.18

Met deze gedachte vormde hij de voormalige Surinaamse leprakolonie Voorzorg om tot kolonie gemodelleerd naar Frederiksoord in Drenthe. De kolonisten in Voorzorg zouden ditmaal bestaan uit zowel ‘vrije gekleurde’ Surinamers als ‘gouvernementsslaven’ uit Paramaribo. Deze laatste groep diende eerst vrijgemaakt te worden voordat ze in Voorzorg gingen werken. En waar in de Drentse koloniën de kolonisten hun schuld aan de Maatschappij terugbetaalden met hun eigen opbrengsten, moesten de voormalige slaafgemaakten in Voorzorg tien jaar verplicht werk leveren om te betalen voor hun vrijheid. Het godsdienstonderwijs werd verzorgd door een predikant van de Evangelische Broedergemeente. Deze protestantse gemeenschap had namelijk de verantwoordelijkheid voor de religieuze scholing en bekering van de slaafgemaakte bevolking van Suriname in de negentiende eeuw gekregen van het koloniale gezag. Als Voorzorg een succes zou blijken, dan zou het systeem in heel Suriname ingevoerd kunnen worden om verzekerd te kunnen blijven van genoeg arbeidskrachten in het licht van een toekomstige afschaffing van de slavernij. Van den Bosch’ opvolgers gaven het project Voorzorg echter maar weinig aandacht of prioriteit, waardoor het nooit echt van de grond kwam.19

Na zijn periode in Suriname was Van den Bosch van 1828 tot 1834 de gouverneur-generaal van ‘Nederlands-Indië’. Dit was de benaming voor de kolonie in de Indonesische archipel die na het failliet van de VOC een wingewest van de Nederlandse staat werd. In deze periode legde hij de basis voor het cultuurstelsel, een belastingstelsel in natura dat van 1830 tot 1870 heeft bestaan. Het cultuurstelsel verving het oudere landrentestelsel, waarbij landarbeiders veertig procent van de verbouwde landbouwproducten of een geldsom van vergelijkbare waarde afdroeg aan het koloniale bestuur als belasting. Onder het cultuurstelsel moesten Javaanse landarbeiders verplicht twintig procent van hun grond reserveren voor de verbouw van gewassen die door de Nederlandse Handel-Maatschappij in Europa verkocht werden. Als de waarde van de verkochte gewassen hoger was dan de vroegere landrente, ontvingen de Javaanse landarbeiders ‘plantloon’. Dit ‘plantloon’ kon zowel in rijst als geld uitbetaald worden. Dit plantloon was doorgaans zeer laag. Landarbeiders die niet beschikten over de geschikte grond waar de gewenste koffie, thee, suiker of indigo verbouwd kon worden wachtte 66 dagen verplichte jaarlijkse arbeid op de gronden van de koloniale overheid als ‘herendienst’.

Verplichte aanplant van rietsuiker op de Malang vlakte in Oost-Java. Circa 1870. Leiden University Libraries

Het cultuurstelsel bracht de Nederlandse staatskas zeer grote opbrengsten. Van 1831 tot 1840 leverde dit ‘batig slot’ de staatskas 39 miljoen gulden op, van 1841 tot 1850 141 miljoen gulden en van 1851 tot 1860 zelfs 267 miljoen gulden.20 Voor 1850 waren de opbrengsten verantwoordelijk voor gemiddeld 19 procent van de staatsbegroting. In de periode 1851 tot 1860 steeg dit zelfs tot 31,5 procent.21 Het ‘batig slot’ werd door zowel conservatieven als liberalen in de Nederlandse politiek lange tijd gezien als een vanzelfsprekende geldstroom waar Nederland simpelweg recht op had. De Nederlandse overheid financierde met dit geld onder andere infrastructurele verbeteringen en gebruikte het om gaten in de begroting te dichten. Het ‘batig slot’ maakte ook de kostbare afschaffing van de slavernij in Suriname en de Antillen in 1863 mogelijk.22

Het cultuurstelsel kenmerkte zich door een grote mate van dwang en uitbuiting van de Javaanse landarbeiders. Van de eerdere beoogde stimulering tot zelfredzaamheid was geen sprake meer. De Javaanse landarbeiders hadden niets om terug te verdienen of om naar toe te werken. Dit kan niet los gezien worden van de tegenvallende resultaten die Van den Bosch’ eerdere projecten met de Maatschappij van Weldadigheid in Drenthe en Suriname geboekt hadden. Te veel kolonisten bleken maar moeilijk in het gareel te krijgen en toonden volgens hem maar weinig dankbaarheid voor de kans die hij ze had geboden. Het ideaal van verheffing verdween. De harde hand bleef over.23 Het cultuurstelsel was in ieder geval desastreus voor de bevolking van Java. Het heeft geleid tot meerdere hongersnoden en was verantwoordelijk voor aanzienlijke oversterfte onder de Javanen.24

Archiefstukken

We hebben in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid in het Drents Archief een aantal documenten gevonden die laten zien hoe zowel de Maatschappij van Weldadigheid zelf als de Drentse koloniën van de Maatschappij connecties hadden met het Nederlandse koloniale beleid in Indonesië, Suriname en de Antillen.

We vonden bijvoorbeeld het ‘Koninklijk Besluit om de Maatschappij van Weldadigheid dienstbaar te maken tot de opleiding van geschikte personen voor de dienst in Nederlands Oost-Indië, met bepalingen omtrent te verstrekken voorschotten uit ‘s lands kas; 1836’.25 Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) kon in deze periode moeizaam voldoende militairen werven onder de Nederlandse bevolking. Naast de rekrutering van Javanen werden daarom bijvoorbeeld meer dan 3000 jonge mannen uit West-Afrika gerekruteerd voor het KNIL.26 Op voorspraak van Johannes van den Bosch werden echter ook geschikte inwoners van de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid klaargestoomd voor militaire dienst overzee. Volgens Van den Bosch konden de uitgezonden kolonisten na hun diensttijd weer productieve en nuttige leden van de koloniale maatschappij worden. Met hun eerder opgedane landbouwervaring zouden ze volgens hem zelfs een cruciale rol kunnen gaan spelen in het koloniseren van de binnenlanden van Sumatra. Een stelsel van kolonisatie zou in zijn ogen “ook weldadig voor Nederlands Oost-Indië” zijn.27

In het overlijdensregister van de gemeente Norg zijn nog meerdere voormalige ingezetenen van de kolonie Veenhuizen terug te vinden, die zijn overleden in plaatsen als Batavia, Bali, Soerabaja, Palemberg of Padang. Van anderen wordt juist vermeld dat ze geboren waren in de voormalige overzeese koloniën, zoals bijvoorbeeld ‘Dina of Dra’. Er wordt weinig over haar vermeld, behalve dat ze was geboren op 30 november 1823 in Batavia (Jakarta) en dat ze was overleden op 14 februari 1848 in Veenhuizen. Er wordt geen achternaam vermeld en er worden geen ouders genoemd. Blijkbaar was ze dienstmeid en was Joure haar voormalige woonplaats.28 Een aantal maanden voorafgaand aan haar overlijden, op 4 september 1847 beviel ze van haar zoon Johannes.29 Hij leefde slechts tot 4 januari 1848 en hij wordt in de overlijdensakte vermeld met de achternaam ‘of Dra’.30 Dina was ingeschreven in Veenhuizen met registratienummer 5687 en Johannes was ingeschreven met het nummer 1644.31 Na Dina’s overlijden werd in Friesland een memorie van successie opgesteld waarin geen onroerend goed tot de nalatenschap behoorde. Hier werd ze vermeld als ‘Dina of Dina Dia’ die als dienstmeid vroeger in Joure en daarna in Leeuwarden had gewoond.32 Het ontbreken van een achternaam of van vermelde ouders kan geïnterpreteerd worden als een teken dat ze wellicht oorspronkelijk tot slaaf was gemaakt voordat ze naar Nederland kwam. Tegelijkertijd kan het ook andere redenen hebben gehad. Mensen kwamen doorgaans niet uit vrije wil naar Veenhuizen en het is niet onmogelijk dat aspecten van haar verleden bewust zijn verzwegen of veranderd. Overzichten van beide groepen zijn terug te zien in de onderzoekgids ‘Drenthe en het slavernijverleden’ op de website van het Drents Archief.

Het archief van de Maatschappij van Weldadigheid bevat verschillende lijsten en nota’s over zowel benodigde grondstoffen en materialen als de door de kolonisten gefabriceerde producten. We vonden hiertussen een lijst van door Drentse kolonisten vervaardigde goederen bedoeld voor het Departement van Koloniën en de Nederlandse Handel-Maatschappij van 1838 tot 185933 en een besluit van de commissaris van de Koning in Drenthe betreffende de hoeveelheid en benaming van katoenen goederen vervaardigd in de Drentse koloniën die bestemd zijn voor Nederlands-Indië uit 1858.34 Ook zijn er contracten te vinden met de Nederlandse Handel-Maatschappij over de levering van katoen uit de jaren 1863 tot 1869.35

Het is niet toevallig dat deze stukken pas vanaf het eind van de jaren 1830 te vinden zijn. Naast de verplichte landarbeid werd vanaf 1836 namelijk verplichte arbeid in de katoenweverij toegevoegd aan de werkzaamheden van de kolonisten. Op de grotere hoeven van de ‘vrije’ koloniën werden weefgetouwen geplaatst. Kolonisten die minder geschikt waren voor landbouw moesten hier aan het werk gaan. Het huidige complex Oud Bergveen in Veenhuizen was in 1839 oorspronkelijk gebouwd als katoenspinnerij waar met dergelijke goedkope dwangarbeid garen werden gesponnen. Mede dankzij de persoonlijke relaties van Johannes van den Bosch werden de gefabriceerde producten regelmatig afgenomen door het Ministerie van Koloniën en de Nederlandse Handel-Maatschappij om ze in de Indonesische archipel te kunnen verkopen. In 1840 werd bijvoorbeeld voor ruim 220.000 gulden (€ 2.345.364) aan ‘katoentjes’ geleverd aan het Ministerie van Koloniën. De doorverkoop van dit katoen op de verzadigde Aziatische katoenmarkt verliep doorgaans moeizaam. Het in Drenthe vervaardigde katoen bleef in Batavia (Jakarta) nog wel eens enige tijd liggen totdat de prijzen weer aantrokken.36

De eerste editie van De Star uit 1819

De Star

Vanaf 1819 gaf de Maatschappij van Weldadigheid een eigen publicatie uit genaamd De Star. Kopieën van dit maandblad zijn fysiek aanwezig in het Drents Archief en digitaal raadpleegbaar. De Star functioneerde als informatiebron en advertentieblad van de Maatschappij voor zowel huidige als potentiële nieuwe leden, donateurs en investeerders. Het ledenbestand was op zijn hoogtepunt in 1819 met 21.187 betalende leden, toen De Star nog een relatief hoge oplage had. Zowel het ledenbestand als de oplage slonken in de jaren hierna, totdat de Maatschappij in 1848 minder dan 7000 leden had.37 Johannes van den Bosch schreef zelf regelmatig artikelen in het maandblad, waarin hij de lezers onder andere trachtte te overtuigen van de noodzaak van de koloniën om het armoedeprobleem te lijf te gaan. Dit waren doorgaans eenzijdige succesverhalen. Zo schreef Van den Bosch in de eerste editie uit januari 1819 al dat de praktijk had aangetoond dat het experiment Frederiksoord levensvatbaar was, toen de kolonie slechts enkele maanden eerder was opgezet.38 

De Star was zeer geïnteresseerd in de slavernij-economie in de verschillende koloniën. Zo lezen we in februari 1820 dat de katoenhandel in Suriname en Martinique zwaar te lijden had onder het afschaffen van de slavenhandel.39 In 1821 schreef hoofdredacteur Willem Anthonie Ockerse (1760-1826) een pleidooi voor de invoering van een wettelijk huwelijk onder de slaafgemaakten in Suriname. Op deze manier kon de kolonie zich immers blijven verzekeren van voldoende kinderen onder de bevolking van slaafgemaakten.40 Een ander perspectief was te vinden in een bericht over de slavenhandel uit februari 1823, waar gesteld werd dat de afschaffing van de slavenhandel de situatie de werk- en leefomstandigheden van de slaafgemaakten relatief had verbeterd. Ook werd geschreven over de slavenopstanden uit deze periode.41

Het maandblad maakte vaker ruimte voor uitgebreide beschouwingen over het reilen en zeilen in de overzeese koloniën. In het eerste jaargang verscheen een serie artikelen onder de titel ‘Geschied- en zedekundig tafereel van Aziatisch Indië’, waarvan de inhoud deels gebaseerd was op het in 1818 verschenen Nederlandsche bezittingen in Azia, Amerika en Afrika van Johannes van den Bosch.42 In september 1819 was te lezen hoe de Maatschappij brieven stuurde aan de gouverneurs van Nederlands-Indië, Suriname, Curaçao, Sint-Eustatius en Guinea over de mogelijkheden daar een nieuwe tak van de organisatie op te richten.43 Een klein jaar later, in augustus 1820, was het resultaat zichtbaar in een overzicht met bijbehorende ledenaantallen van opgerichte overzeese subcommissies van de Maatschappij.44 In oktober van 1820 werd bericht over de toename van subcommissies in Suriname, Elmina (Ghana), Curaçao en Sint-Maarten.45

Demografische overzichten van de inwoners van de verschillende overzeese koloniën zijn meerdere malen terug te vinden in het maandblad. Zo kon men in maart 1820 lezen hoeveel ‘slavenhoofden’ zich bevonden in het Nederlandse ‘Oost-Indië’ (10.000) en ‘West-Indië’ (59.493).46 In november 1826 was een omschrijving van de bevolkingsaantallen van Paramaribo te vinden, onderverdeeld in ‘blanken’, ‘kleurlingen’ en ‘negers’. De ‘negers’ en ‘kleurlingen’ werden weer onderverdeeld in ‘vrijlieden’ en ‘slaven’.47  In dezelfde editie werd de bevolking van Kaapstad onderverdeeld in ‘prijs-negers’, ‘vrije zwarten’, ‘hottentotten’, en ‘slaven der ingezetenen’.48 De bevolking van Nieuw-Granada werd in de editie van augustus 1825 onderverdeeld in ‘mestiezen van blanken en indianen’, ‘indianen’, ‘mulatten’, ‘vrije negers’, en ‘slaven’.49 In maart 1826 stond er in De Star zelfs een overzicht van de exponentiële groei van de bevolking van slaafgemaakten op Jamaica van 1673 tot 1824.50 Blijkbaar was men niet uitsluitend geïnteresseerd in de Nederlandse koloniën. Zo verscheen in april 1820 een artikel over de slaafgemaakten en de inheemse bevolking van Mexico, en werd eerder in oktober 1819 al een schets van de bevolking, de slaafgemaakten, en  de staat van de slavernij in Maryland gegeven als onderdeel van een geschied-, natuur- en aardrijkskundig overzicht van alle Verenigde Noord-Amerikaanse staten.51

In november 1826 verscheen een bespreking van het boek Aantekeningen betrekkelijk de Kolonie Suriname van de latere gouverneur-generaal van Suriname, Evert Ludolph van Heeckeren (1784-1838). In het boek werden de niet-Europeaanse inwoners van het gebied beschreven als ‘bosnegers’, ‘negers’, ‘Indianen’ en ‘kleurlingen’. Volgens Van Heeckeren waren te veel slaafgemaakten in de huishoudens van de plantage-eigenaren alleen voor de “weelde”. Hij gaf er de voorkeur aan om ze op de plantages te werk te stellen om het arbeidsreservoir te vergroten en de staatskas te spekken. Ook hij was, net als Van den Bosch en Ockerse, voorstander van het aanmoedigen van voortplanting onder slaafgemaakten om het gewenste productieniveau van de plantage-economie van Suriname op peil te houden. Ook sprak hij positief over initiatieven in het gebied Nickerie in Suriname, waar de planters blijkbaar de inheemse bevolking ('Indianen’) inhuurden. Volgens Van Heeckeren was het algehele gevoel onder de kolonisten in Suriname tegen de afschaffing van de slavernij. Men verwachte dat het Engelse verbod op de slavenhandel uiteindelijk weer zou worden ingetrokken. De Europese kolonisten hadden een lage achting van de Afrikaanse slaafgemaakten: “Hun aanzien is ongelukkig, ze leven als dieren. […] Wanneer men deze toch goed voedert, kan men dienst verlangen, doch uit eigen beweging zullen ze niets doen: zoo doet ook de slaaf niets dan waartoe hij uit vrees voor de zweep aangezet wordt.” Het bewijs hiervoor lag volgens Van Heeckeren in het feit dat ze, als ze eenmaal werden vrijgemaakt, doorgaans niet meer dan negen uur per dag wilden werken. Zijn omschrijving van de Marrons, de gevluchte Afrikaanse slaafgemaakten die gemeenschappen in de Surinaamse binnenlanden vormden, werd gekenmerkt door ontzag: “De fiere, stoute gestalte van den Bosch-Neger, die hem zoo voortreffelijk onderscheidt, en zeker onder de schoonste mensensoort plaatst, getuigt meer dan alles, dat hij niet verzwakt is, nog zijn eersten aanleg heeft verloren.”52 In de bespreking van het boek van Van Heeckeren werd voorgesteld dat de militaire inrichting en stijl van toezicht houden van de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid in Nederland ook nodig waren in de overzeese koloniën.53 Johannes van den Bosch deed een voorstel om de slinkende bevolking van slaafgemaakten aan te vullen met veroordeelde misdadigers.54

Vergelijkbare opvattingen waren vaker in De Star te lezen. Kritiek op slavernij was schaars en voorzichtig. De meest voor de hand liggende verklaring voor deze teneur is dat het een afspiegeling was van de opvattingen en de bevoorrechte posities van niet alleen de schrijvers, maar ook van het beoogde publiek. In wat voor kringen dit publiek zich kon bevinden was terug te zien in een overzicht van honoraire leden van de Maatschappij van Weldadigheid uit 1820. Hieronder bevonden zich onder andere de gouverneur van Java Godert Alexander Gerard Philip baron van der Capellen (1778-1848), de in het vorig hoofdstuk besproken gouverneur van Suriname Cornelis Rijnhardt Vaillant en de gouverneur van Sint-Eustatius Abraham de Veer (1767-1838).55

1 Jan Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600-1910: Een nieuwe visie op de ‘oude’ landbouw. (Wageningen: Afdeling Agrarische Geschiedenis, 1987) 95.
2 Johannes van den Bosch, Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering, en de belangrijkste voordeelen eender algemeene armen-inrigting in het Rijk der Nederlanden, door het vestigen eener Landbouwende Kolonie in deszelfs Noordelijk gedeelte (Amsterdam: Johannes van der Hey, 1818), 140.
3 Angelie Sens, De kolonieman: Johannes van den Bosch (1780-1844), volksverheffer in naam van de koning (Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2019) 167.
4 Cornelis Hendrik van Rhee, ‘Drenthe: de Gouden Eeuw van de koloniën (19e eeuw).’ Elke provincie een eigen Gouden Eeuw. Red. L. Sicking. Amsterdam: Prometheus, 2024: 221-223.
5 Albert Schrauwers. “Colonies of Benevolence: A carceral archipelago of empire in the greater Netherlands”. History and Anthrophology 31 (2020), nr. 3, 352-370, aldaar 362.
6 Schrauwers, ‘Colonies of Benevolence’, 360-361.
7 Schrauwers, 361.
8 Sens, De kolonieman, 195-196.
9 Van Rhee, ‘Drenthe’, 227; Sens, 197-198.
10 Schrauwers, 359.
11 Suzanne Jansen, Het Pauperparadijs: Een familiegeschiedenis. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2008.
12 Van den Bosch, Verhandeling, 21.
13 Van Rhee, 213.
14 Sens, 85-89.
15 Ibidem, 228.
16 Johannes van den Bosch, ‘Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische bezittingen’. De Surinaamsche Almanak voor het jaar 1829 (1828): 146.
17 Sens, 224-225.
18 Ibidem, 228-229.
19
Ibidem, 233-237.
20 Janny de Jong, Van batig slot naar ereschuld: De discussie over de financiële verhouding tussen Nederland en Indië en de hervorming van de Nederlandse koloniale politiek, 1860-1900. (Proefschrift: Rijksuniversiteit Groningen, 1989), 27.
21 De Jong, Van batig slot naar ereschuld, 39-40.
22 De Jong, 85-111.
23 Ibidem, 272-275.
24
Pim de Zwart, Daniel Gallardo-Albarran, Auke Rijpma, “The Demographic Effects of Colonialism: Forced Labor and Mortality in Java, 1834-1879”, The Journal of Economic History Vol. 82, Nr. 1 (Maart 2022): 211-249.
25 Drents Archief, Toegangsnr. 0186 Maatschappij van Weldadigheid, inv.nr. 3295.
26 W.M.J. van Kessel, “Zwarte blanken: Afrikaanse soldaten in Nederlands Oost-Indië”, Geschiedenis Magazine 41 (1): 8-13.
27
Sens, 308.; De Star; een tijdschrift, 1820, no 2, 176.
28 Overlijdensregister Norg 1848, archiefnummer 0167.016, inventarisnummer 1848, aktenummer 107.
29 Geboorteregister Norg 1847, archiefnummer 0165.016, inventarisnummer 1847, aktenummer 70
30 Overlijdensregister Norg 1848, archiefnummer 0167.016, inventarisnummer 1848, aktenummer 10
31 Inschrijvingsregisters van veroordeelde bedelaars en vrijwilligers 1822-1866 - deel N, archiefnummer 0137.01, Inventarisnummer 432, aktenummer 1644
32 Memories kantoor Heerenveen, archiefnummer 42, Memories van successie - Tresoar, inventarisnummer 8033, aktenummer Ongenummerd, februari
33 Drents Archief, Toegangsnr. 0186, inv.nr. 1602.
34 Drents Archief, Toegangsnr. 0186, inv.nr. 1607.
35 Drents Archief, Toegangsnr. 0186, inv.nr. 3127.
36 Sens, 332-336.
37 Ibidem, 189-193.
38 Ibidem, 189-193.; J. van den Bosch, “Verhandeling […] over den werkelijken staat der Kolonie Frederiks-oord”, De Star; een tijdschrift 1819-1, 18-87.
39 De Star, 1820-2, 112.
40 Ibidem, 222-223.
41 De Star, 1823-2, 104-140.
42 Ibidem, 189-190.
43 De Star, 1819-9, 752.
44 De Star, 1820-8, Bijlage: Algemeene Staat van Ontvangsten, van primo APRIL 1819 tot primo APRIL 1820.
45 De Star, 1820-10, 723.
46 De Star, 1820-3, Bijlage: ALGEMEENE TABELLE van de bevolking, kommerciële voortbrengselen, scheepvaart, handel en van den FINANCIËLEN STAAT der OVERZEESCHE BEZITTINGEN van het RIJK.
47 De Star, 1826-11, 831.
48 De Star, 1826-11, 848.
49 De Star, 1825-8, 554.
50 De Star, 1826-3, 230.
51 De Star, 1820-4, 263.; De Star, 1819-10, 845-846.
52 De Star, 1826-11, 806-831.
53 De Star, 1826-11, 828.
54 De Star, 1826-11, 829.
55 De Star, 1820 [Bijlage], Supplementaire lijst van honoraire leden der Maatschappij van Weldadigheid.