
Groepsfoto verpleegkundigen en doktoren in Assen, circa 1950. Collectie L. Lager, Drents Archief
Introductie
Voor de tweede helft van de negentiende eeuw bemoeide de overheid zich nauwelijks met de gezondheid van haar burgers. Tot dan toe was de zorg voor zieken, ouderen en armen vooral een zaak van particuliere initiatieven, zoals liefdadigheidsinstellingen, kerken en filantropen. De opkomst van kruisverenigingen aan het begin van de twintigste eeuw zorgde voor enige verbetering van de levensomstandigheden. Ook de Centrale Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe droeg hieraan bij.
In Drenthe speelde het traditionele 'noaberschap' nog altijd een belangrijke rol. Dit fenomeen van burenhulp en gemeenschapszin was eeuwenlang de belangrijkste manier waarop mensen voor elkaar zorgden in tijden van nood, ziekte en overlijden. Hulp van buitenaf werd soms nog met enige argwaan ontvangen.
Pas na de Tweede Wereldoorlog werd een allesomvattende verzorgingsstaat de norm. De overheid nam een steeds grotere rol op zich in het financieren van voorzieningen die het welzijn van de burgers moesten verbeteren, waarmee de basis werd gelegd voor de verzorgingsstaat zoals we die nu kennen. Ook in Drenthe diende zich in de jaren vijftig een bont gezelschap aan van kraamverpleegsters, wijkzusters en gezinsverzorgsters.
Het beleid en de zorgverlening in deze periode waren sterk gericht op het welzijn van het gezin, dat destijds werd beschouwd als de fundamentele hoeksteen van de samenleving. Binnen deze context lag de nadruk op het functioneren van de huisvrouw, die werd geacht haar gezin op de juiste wijze te verzorgen. De zorg voor vrouwen in deze periode was dus primair instrumenteel van aard: ze richtte zich op het ondersteunen van vrouwen in hun rol als huisvrouw en moeder, in plaats van op hun welzijn als individu.
In dit hoofdstuk van de onderzoeksgids lees je onder andere over armenzorg, het kruiswerk dat in Drenthe werd opgezet, bakers en vroedvrouwen, de gezinszorg en de geestelijke gezondheidszorg. Deze onderzoeksgids bevat een apart hoofdstuk gewijd aan het onderwerp seksualiteit.
Tip! Het FNI is het online kenniscentrum voor de geschiedenis van verpleging en verzorging in Nederland. Op de website vind je informatie en artikelen en kun je de (online) collectie bekijken. Het instituut bevordert historisch onderzoek door kennis over verpleegkundige en verzorgende beroepsgroepen te stimuleren, faciliteren en publiceren.
3.1 Armenzorg
Voor wie niet in het eigen onderhoud kon voorzien, waren er, variërend per plaats of regio, mogelijkheden om ondersteuning te krijgen. Veel moet daar echter niet bij worden voorgesteld: de behoeftige kreeg soms een paar extra stuivers, wat kleding, brandstof en wat voedsel om te kunnen overleven. De armenzorg viel voor lange tijd in handen van de diaconie. In de archieven van kerken, met name van de diaconieën, zijn bronnen te vinden over arme personen en hoe zij ondersteund werden. De verstrekking van bijstand aan armen en behoeftigen ging gepaard met een grondige controle van hun leefomstandigheden. Hierbij werd niet alleen hun financiële situatie beoordeeld, maar ook hun morele en sociale gedrag. Om deze reden bevatten diaconiearchieven naast financiële gegevens soms ook gedetailleerde informatie over de levenswandel van de betrokkenen. In het hoofdstuk Armenzorg van de studiegids voor stamboomonderzoek lees je meer over het doen van onderzoek in de diaconale archieven.
In Meppel en Hoogeveen bestonden vanaf het begin van de achttiende eeuw armhuizen. In de rest van Drenthe werden vanaf het midden van de negentiende eeuw armhuizen opgericht. De mannen, vrouwen en kinderen die in de armhuizen terechtkwamen moesten verplicht werkzaamheden verrichten, meehelpen in het huishouden en producten vervaardigen die door het armhuis konden worden verkocht. De opbrengsten hiervan gingen naar het armhuis, zodat de kost- en inwoning van de bewoners deels werd vergoed. Daarnaast werd het armhuis gezien als een nuttig instrument ter opvoeding en disciplinering van de armen. De ‘armvader’ en ‘armmoeder’ waren verantwoordelijk voor deze taak. Samen zorgde zij ervoor dat iedere bewoner zich aan de regels hield, op tijd uit bed kwam en aan het werk ging. Als vuistregel geldt dat armhuizen van vóór 1850 vaak werden beheerd door diaconieën, wat terug te vinden is in hun financiële administratie. Van een aantal armhuizen zijn archiefstukken of soms hele archieven bewaard gebleven. In het Drents Archief zijn stukken te vinden van armhuizen in Meppel, Sleen, Norg, Westerbork en Peize. Armhuizen van na 1850 werden meestal door de gemeente ondersteund. Informatie en bronnen over gemeentelijke armhuizen kunnen worden teruggevonden in de notulen of brievenboeken van Burgemeester en Wethouders en soms ook in de gemeentelijke jaarverslagen over armenzorg.
Op basis van de Armenwet van 1854 werden gemeentelijke instellingen opgericht met als doel het bieden van ondersteuning aan hulpbehoevenden. Wanneer familie, kerkelijke of particuliere instanties niet in staat waren om adequate zorg te leveren, nam het Burgerlijk Armbestuur deze taak over. Deze gemeentelijke organisatie was tussen 1854 en 1964 verantwoordelijk voor het coördineren van hulpverlening aan armen, zieken en mensen met een beperking in Nederland. In de praktijk bleef armenzorg voor een groot deel in handen van kerkelijke instanties. In het Drents Archief ligt het archief van het Burgerlijk Armbestuur te Assen. Raadpleeg het Drents Archiefnet voor provincie breed onderzoek.
Daarnaast bestonden in Drenthe particuliere burgerinitiatieven voor armenzorg. In het Drents Archief ligt bijvoorbeeld het archief van de Vereniging voor Armenzorg te Assen. Deze vereniging werd in 1891 opgericht en bestond uit een hoofdbestuur en een commissie van armbezoekers. De armbezoekers bezochten gezinnen om te beoordeelden of zij in aanmerking kwamen voor extra hulp. Hoewel het doorgaans de man was die een aanvraag indiende, hij werd immers als hoofd van het gezin beschouwd, bevat dit archief ook vermeldingen van vrouwen. Het betreft met name weduwen en vrouwen van wie de echtgenoot gedetineerd was. Het archief bevat onder andere rapporten van armbezoekers over de leefomstandigheden van gezinnen, registers van hulpaanvragers, jaarverslagen met statistieken, en notulen en correspondentie van het hoofdbestuur en de commissie armbezoekers.
Ook van andere particuliere initiatieven heeft het Drents Archief archiefmateriaal liggen. Zo heeft het Drents Archief materiaal van het Centraal Algemeen Comité van steun voor arbeidersgezinnen, de Vereeniging Fonds Ondersteuning Weduwen en Weezen van onderwijzers en van het Provinciale Weduwen- en Wezenbeurs Hervormde predikanten.
Tip! Raadpleeg de database van Verenigingen voor armenzorg en armoedepreventie in de negentiende eeuw van het Huygens Instituut voor een totaaloverzicht van liefdadigheidsinstellingen. De database bevat informatie over onder andere de oprichtingsdatum, doelstelling, bestuursleden en activiteiten van een vereniging en kunnen worden gefilterd op provincie.
3.2 Kruiswerk in Drenthe
Aan het eind van de negentiende eeuw kwamen in Nederland kruisverenigingen op. De introductie van het Groene Kruis in Drenthe vond plaats in 1903 met de oprichting van de plaatselijke vereniging het Groene Kruis De Wijk-Koekange. In de daaropvolgende jaren werden in alle andere Drentse gemeenten Groene Kruisverenigingen opgericht, met Westerbork als hekkensluiter in 1914.
De kruisverengingen waren particuliere organisaties die zich richtten op het geven van voorlichting over volksgezondheid en hygiëne, het voorkomen en bestrijden van besmettelijke ziektes, het verzorgen en verplegen van zieken thuis, en het uitlenen van verpleegmaterialen en hulpmiddelen. De kruisverenigingen die werden opgericht waren georganiseerd naar geloofs- of politieke richting en waren gericht op de arbeidsklasse. Naast het neutrale Groene Kruis, werden in Drenthe ook enkele Oranje-Groene Kruisverenigingen (protestants-christelijk) en Wit-Gele Kruisverenigingen (Rooms-Katholiek) opgericht.
Dankzij de inspanningen van de plaatselijke kruisverenigingen beschikten de meeste Drentse dorpen voor de Tweede Wereldoorlog over een wijkverpleegster. In 1910 waren er wijkverpleegsters werkzaam in Assen, Emmen, Hoogeveen, Meppel en Ruinerwold. Na de Tweede Wereldoorlog werd de wijkverpleging via de provinciale kruisvereniging steeds meer regionaal georganiseerd.
In het archief van de Voorgangers van de Stichting Kruiswerk Drenthe zijn bronnen van de verschillende kruisverenigingen in Drenthe te vinden. Het archief bevat daarnaast stukken van de vereniging van de bestrijding der tuberculose en de kraamverplegersdienst te Assen.

3.3 Gezondheidscommissie
De Gezondheidscommissie voor de gemeenten Assen, Roden, Peize, Eelde, Vries, Zuidlaren, Smilde en Norg (1903-1933) had als doel de hygiënische omstandigheden in de gemeentes te verbeteren. De commissie, met leden uit diverse vakgebieden, hield toezicht op wetten, verordeningen en zaken als water- en luchtkwaliteit, begraafplaatsen, drinkwater, scholen, en fabrieken. Klachten vanuit de bevolking werden onderzocht en waar nodig werd advies van de Inspecteur van Volksgezondheid ingeroepen. De commissie werd in 1933 opgeheven door verbeterde wetgeving, waardoor de taken van de commissie overbodig werden.
Het archief van de gezondheidscommissie is ondergebracht in het Drents Archief. Ook zijn er jaarverslagen van diverse gezondheidscommissies te vinden in de collectie jaarverslagen van diverse Drentse instellingen onder het kopje gezondheidszorg en hygiëne. Raadpleeg het Drents Archiefnet voor provincie breed onderzoek.
3.4 Bakers, vroedvrouwen en kraamverzorgsters
In de tweede helft van de negentiende eeuw werd een thuisbevalling meestal begeleid door een baker en/of een vroedvrouw. Bakers bleven een paar weken bij het gezin en zorgden na de bevalling voor moeder en kind. Vaak hadden zijn geen medische opleiding gevolgd, maar waren het oudere vrouwen die zelf kinderen hadden grootgebracht en andere moeders hadden bijgestaan. Vroedvrouwen boden medische ondersteuning tijdens de geboorte en hadden vaak wel een medische opleiding genoten.
Tip! Voor een overzicht van vroedvrouwen uit de negentiende en twintigste eeuw in Drenthe kun je het Drentsch jaarboekje raadplegen. Bakers zijn een stuk lastiger te vinden in de archieven, omdat zij zich tot 1926 niet verplicht hoefden te registreren.
Eind jaren twintig van de twintigste eeuw wilde de overheid het ‘wild bakeren’ tegengaan door opleidingen tot kraamverzorgster op te zetten, die ook toegankelijk waren voor jonge vrouwen. Daarnaast was er behoefte aan betere scholing voor moeders en bakers. De nieuwe inzichten op het gebied van hygiëne en gezondheid drongen maar langzaam door tot de bevolking.
In 1924 had Wilhelmina Jacoba Pelinck-Zijnen de Gier al een kraamverplegingsdienst in Assen opgezet. De dienst maakte een begin met een opleiding voor kraamverzorgsters, zond kraamverzorgsters uit en gaf voorlichting aan aanstaande moeders. De Nederlandse overheid was zo onder de indruk van het werk van Wilhelmina dat naar haar voorbeeld door het hele land bakeropleidingen werden opgezet. De Asser kraamvereniging ging uiteindelijk op in de Provinciale Groene Kruisvereniging. In het archief van het Kruiswerk in Drenthe zijn stukken te vinden over de opleiding van kraamverzorgsters en de kraamverplegersdienst te Assen.
Wilhelmina JacobaPelinck-Zijnen de Gier (1872-1934) speelde een belangrijke rol bij de oprichting van consultatiebureaus in Drenthe. Oorspronkelijk zou Wilhelmina een veelbelovend beeldhouwster worden, maar zij beëindigde haar artistieke carrière na haar huwelijk en zwangerschap. In 1919 verhuisde ze met haar man naar Assen. Hier richtte Wilhelmina zich op de verbetering van hygiëne voor moeder en kind. In 1921 sloot zij zich aan bij de ‘Vereeniging tot Ondersteuning van Behoeftige Kraamvrouwen’ en reorganiseerde deze. Enkele jaren later zette zij in Assen een Kraamverplegingsdienst op en zorgde zij ervoor dat het consultatiebureau een eigen gebouw kreeg. Vanaf 1925 was zij de drijvende kracht achter de commissie voor Hygiëne van Moeder en Kind. Haar doel was om in elk Drents dorp een consultatiebureau en kraamverplegingsdienst op te richten, wat bijna volledig was gerealiseerd bij haar overlijden in 1933. Voor haar werk en inzet werd Wilhelmina geridderd in de Orde van Nassau.
In het Drents Archief zijn meerdere bronnen te vinden over vroedvrouwen:
- Bronnen over vroedvrouwen in Drenthe voor 1880 zijn te vinden in de volgende archieven: Gemeentearchief Meppel, Verzameling van losse publicaties en plakkaten, Oude Staten archieven en Collectie Zwinderman.
- Voor informatie over vroedvrouwen na 1945 kun je terecht in het Bestuursarchief provincie Drenthe.
- In het Register van verlossingen van verloskundige Grietje Bergsma-Huizing zijn aantekeningen te vinden van bevallingen die zij tussen 1899 en 1901 begeleidde in de omgeving van Assen.
- Wil je meer weten over de salariëring van vroedvrouwen? Raadpleeg dan een van de archieven van de Gedeputeerde Staten, de Vereniging van Drentse Gemeenten, en het Secretariearchief gemeente Assen.


3.5 Hygiëne voor moeder en kind
Rond 1900 stierf in Drenthe één op de tien zuigelingen door onder andere een gebrek aan kennis over hygiëne. De net opgerichte Groene Kruisverenigingen probeerden dit tegen te gaan door professionele kraamhulp aan te bieden en moeder- en bakercursussen te organiseren, waarin aanstaande moeders en bakers leerden over hygiëne, voeding en verzorging van pasgeborenen. Naast de Groene Kruisverenigingen was er in Drenthe nog een andere commissie actief die zich over dit probleem boog. In 1925 werd op initiatief van de Commissaris der Koningin Linthorst Homan de Commissie voor de Hygiëne van Moeder en Kind opgericht, waar Wilhelmina Jacoba Pelinck-Zijnen de Gier de stuwende kracht van werd. De commissie voor Hygiëne van Moeder en Kind speelde een grote rol in het opzetten van consultatiebureaus in de provincie Drenthe en werkte daarbij nauw samen met het Groene Kruis en Opbouw Drenthe. In de jaren dertig waren al meer dan vijftig consultatiebureaus in Drenthe opgericht. Daarnaast faciliteerde de commissie moedercursussen, zorgde ze voor kraamuitzetten, richtte ze een bakersopleiding op en organiseerde ze de uitzending van kinderen naar koloniehuizen. In 1944 ging de Commissie voor de Hygiëne van Moeder en Kind op in het Groene Kruis.
Meer informatie en bronnen over de Commissie voor de Hygiëne van Moeder en Kind zijn te vinden in de archieven van Voorgangers van de Stichting Kruiswerk Drenthe, Opbouw Drenthe en de Vereniging Ons Dorpshuis te Eelde.
3.6 Naar de huisarts
Van enkele huisartsen in Drenthe zijn archieven bewaard gebleven. De volgende bronnen over huisartsen zijn te raadplegen in het Drents Archief:
- In het Drentsch jaarboekje is een overzicht van huisartsen te vinden die actief waren in de negentiende en twintigste eeuw.
- In het archief van Huis te Westervelde is het Register van inkomsten van dr. Joachimus Lunsingh Kymmell uit zijn artsenpraktijk, 1838-1860, met index op de namen van zijn patiënten te vinden.
- In het archief Brouwer en te Elim zijn de apotheekboeken van de huisartsen H.A. Brouwer en zijn opvolger N.F. Bol te Elim te vinden. De apotheekboeken beslaan de periode van 1934 tot 1980.
Het Drents Archief beheert tevens de archieven van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen (WZA) en een deel van het archief van het voormalige Diaconessenhuis in Meppel. De archieven van het WZA beslaan een uitgebreide periode: het oudste document, de originele oprichtingsakte, dateert uit 1907, en het meest recente stuk, de WZA-krant, stamt uit 2016. Deze archieven zijn waardevolle bronnen voor onderzoek naar de ontwikkeling van de gezondheidszorg door de tijd heen. De archieven moeten echter nog ontsloten worden, waardoor ze nog niet terug te vinden zijn in het digitale archievenoverzicht. Neem contact op met het Drents Archief wanneer je deze stukken voor onderzoek wilt raadplegen.
3.7 Gezinszorg
Tip! Gezinszorg kent een lange geschiedenis. Raadpleeg de Canon van de gezinszorg van het FNI voor een totaaloverzicht van belangrijke momenten in de geschiedenis van gezinszorg in Nederland.
Wanneer een huisarts of wijkverpleegkundige constateerde dat een moeder door ziekte niet in staat was de zorg voor haar kinderen op zich te nemen, werd gezinszorg ingeschakeld. Een gezinsverzorgster was vaak de hele dag aanwezig in het gezin en bood uitgebreide ondersteuning. Naast huishoudelijke taken en boodschappen doen, verzorgde zij de maaltijden, bracht zij de kinderen naar school, en ontving zij hen bij thuiskomst met thee en een koekje. Hiermee vervulde zij niet alleen een praktische rol, maar bood zij ook emotionele ondersteuning.
In Drenthe was de gezinshulp georganiseerd via verschillende regionale verenigingen, die elk een eigen achtergrond hadden: protestants-christelijk, katholiek of seculier. Soms maakte de gezinshulp ook deel uit van een bredere maatschappelijke organisaties, zoals Opbouw Drenthe. In de jaren tachtig begon een fusiebeweging die in 1992 leidde tot de oprichting van Thuiszorg Drenthe, waarin ook de gezinszorg werd opgenomen.
Het Drents Archief heeft meerdere archieven aangaande gezinszorg. Hieronder is een overzicht te vinden van archieven aangaande gezinszorg in Drenthe:
- Bestuursarchief provincie Drenthe
- Archief van de Provinciale stichting voor gespecialiseerd gezins- en wijkwerk in Drenthe, 1957-1972
- Centrale Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe
- Provinciaal Bureau van de Nederlandsche Volksdienst te Assen (raadpleeg voor meer informatie over de Nederlandse Volksdienst het hoofdstuk Drentse vrouwen in de oorlog)
- Kerkelijke instanties namen een groot deel van de gezinszorg op zich. Ook nadat de overheid de zorg had gereguleerd. In de archieven van de kerkelijke gemeentes zijn meerdere bronnen te vinden over gezinszorg.
Kijktip! Bekijk de aflevering De uitgeklede hulp van het geschiedenisprogramma Andere Tijden over gezinszorg in Nederland.
3.8 Vermoeide huisvrouwen
Direct na de Tweede Wereldoorlog organiseerde de Drentse afdeling van het Nederlandse Volksherstel vakantieweken ‘voor huisvrouwen die te zwaar belast waren geweest, met als gevolg, ontredderde gezinnen’. De Nederlandse samenleving was na de oorlog ontwricht en diende opnieuw opgebouwd te worden. De gezondheid en het welzijn van de huisvrouw, in die tijd de spil van het gezin, was hierbij van belang. Het gezin werd namelijk gezien als de hoeksteen van de samenleving en moest goed functioneren en gezond zijn. Onder het motto ‘Gezinsherstel is Volksherstel’ probeerde het Nederlands Volksherstel met de vakantieweken een steentje bij te dragen aan de opbouw van Nederland na de oorlog.
Van 1946 tot 1950 werden de vakantieweken voor vermoeide huisvrouwen georganiseerd door het Nederlands Volksherstel waarbij zij werden bijgestaan door de vereniging Vrouwelijke Hulpverlening. De vakantieweken werden georganiseerd in het gebouw van de Volkshogeschool Overcinge te Havelte. Gedurende de zomermaanden was het statige gebouw beschikbaar voor groepen van ongeveer 25 Drentse vrouwen, die er telkens een week vakantie konden houden. De vakantieweken waren niet alleen bedoeld om vrouwen rust en ontspanning te bieden, maar moesten ook ‘geestelijke verfrissing en voorbereiding op de gezinstaak’ geven. Zo kregen vrouwen les over hygiëne, efficiënt huishoudbeheer en moderne kooktechnieken. Daarnaast werden deskundigen uitgenodigd om aanvullende voorlichting te geven over relevante thema's. In de wintermaanden werd het tehuis opengesteld voor vrouwen die langer zorg nodig hadden. De wintermaanden waren voornamelijk bedoeld voor vrouwen die in een ziekenhuis verpleegd waren, maar nog niet geheel hersteld waren. Om opgenomen te worden voor de wintermaanden was een verwijzing van de huisarts nodig.
Na de opheffing van het Nederlands Volksherstel in 1950 werd de voortzetting van haar werkzaamheden overgedragen aan Opbouw Drenthe. Binnen Opbouw Drenthe werd een speciale commissie tot voortzetting van het NVH-werk opgericht. In hetzelfde jaar verwierf de organisatie het herenhuis De Berkenhof in Zuidlaren, dat vanaf dat moment dienstdeed als locatie voor de vakantieweken. Gedurende de jaren vijftig werden deze vakantieweken uitgebreid met programma's gericht op specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een lichamelijke beperking en vrouwen met diabetes. In 1961 werd besloten om met de vakantieweken te stoppen en de focus te verleggen naar het zogenoemde winterwerk. Deze beslissing werd beïnvloed door maatschappelijke veranderingen: steeds meer vrouwen (en gezinnen) namen zelfstandig het initiatief om op vakantie te gaan. Bovendien bleek de beperkte duur van vijf dagen onvoldoende effectief om vrouwen volledig te laten herstellen. Een bijkomende factor was de mogelijkheid tot samenwerking met andere herstellingsoorden, die alleen realiseerbaar werd als de zomervakantieweken zouden worden afgeschaft. Daarnaast verwachtte de betrokken commissie dat een exclusieve focus op het winterwerk een efficiëntere exploitatie van de locatie zou garanderen. Om deze veranderingen te weerspiegelen, werd de naam aangepast naar "Rust- en Herstellingsoord." Voor de exploitatie van het rusthuis werd een aparte commissie in het leven geroepen: de commissie tot exploitatie van het rust- en herstellingsoord de Berkenhof. Van 1990 tot 1996 werden in De Berkenhof ook mannen op genomen. Vanaf 1996 is De Berkenhof een centrum voor psychosociale hulpverlening aan vrouwen.
Luistertip! In 2001 maakte het radioprogramma OVT een reportage over De Berkenhof in Drenthe. In de reportage komt onder andere een vrouw aan het woord die een vakantieweek op Berkenhof doorbracht.

3.9 Geestelijke gezondheidszorg
In 1895 opende de Vereeniging tot Christelijke verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders het gesticht Dennenoord in Zuidlaren. Patiënten uit het hele land, zowel mannen als vrouwen, kwamen naar Dennenoord om verzorgd te worden. De oprichting van Dennenoord betekende een doorbraak in de psychiatrische zorg. Voorheen werden patiënten vaak opgesloten in stadsgestichten. Aan het eind van de negentiende eeuw besefte men dat deze mensen niet gek, maar ziek waren en daarom rust en verzorging nodig hadden. Dennenoord was een zelfvoorzienende kleine gemeenschap met veel groen, vee, een bakker, een slager en een eigen kerkhof. Het archief van het Psychiatrisch Ziekenhuis Dennenoord is ondergebracht bij het Drents Archief.
Andere bronnen over psychiatrische gezondheidszorg in Drenthe die te raadplegen zijn in het Drents Archief zijn:
- Het archief van de Provinciale Commissie Psychiatrische Voor- en Nazorgdienst.
- In het Secretariearchief van de gemeente Drenthe zijn stukken te vinden van de psychiatrische inrichtingen Licht en Kracht en Port Natal.
- In het archief van gedeputeerde J. Smallenbroek zijn stukken te vinden over zijn lidmaatschap in het bestuur van de Stichting Dienst voor Sociale Psychiatrie en Maatschappelijke Zwakzinnigenzorg.
- In het archief van de Nederlands Hervormde Gemeente Schoonebeek liggen stukken over Dennenoord en Port Natal en Licht en Kracht.
Verder lezen
Armenzorg
- Paping, R.F.J. De extreme armoede van arbeiders in de Drentse venen in de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw: Mythe of harde werkelijkheid. Groningen, 2000.
- Gras, H. Diaconiearchieven als bron: een gids voor historisch onderzoek samengesteld op basis van archivalia en inventarissen van de Hervormde gemeenten in Drenthe. Assen, 1988.
Kruiswerk in Drenthe
- Boivin, L. en A.J. Oostergetel. Een der grootste zegeningen dezer tijd: Een impressie van tachtig jaar kruiswerk in de provincie Drenthe. Assen, 1986.
- Kolk-Kousemaker, M. van der. Het beleid van Het Witte Kruis, Het Groene Kruis en Het Wit-Gele Kruis over de periode 1875-1945. 2005.
Bakers, vroedvrouwen en kraamverzorgsters
- Goote, H. Van bakerhulp naar verzorgende: Een beeld van de kraamverzorgstersopleiding. Bunnik, 1988.
- Hout, A. M. van, N. Wiegman en H. van den Berg. Zoevende zusters: zorg thuis, toen nu en straks. Zetten, 2009.
- Meij- de Leur, A.P.M. van der. Van olie en wijn: Geschiedenis van verpleegkunde, geneeskunde en sociale zorg. Amsterdam/Brussel, 1974.
Commissie voor Hygiëne van Moeder en Kind
- Wilke, M. Voor Den Opbouw van Drenthe: Vrouwen, maatschappelijk werk en modernisering in Drenthe 1915-1951. Groningen, 2002.
Gezinszorg
- Arts, S. H. Kersten en A. Kerkstra. Werken in de gezinsverzorging. Utrecht, 1997.
- Dercksen, A. en L. Verplancke. Geschiedenis van de onmaatschappelijkheidsbestrijding in Nederland 1914-1970. Meppel/Amsterdam, 1997.
- Jamin, H. 125 Jaar thuiszorg 1875-2000: Oude tradities en nieuwe ambities. Baarn, 1999.
- Vriend, E. De helpende hand: De verborgen geschiedenis van de gezinszorg in Nederland. Amsterdam, 2022.
Geestelijke gezondheidszorg
- Breteler, A. De laatste dagen van de dorpsgek. Geestelijke gezondheid op het platteland. Amsterdam, 2024.
- Goei, de, L. en G. Dresen. Ongeregeld Zenuwleven: Historische Opvattingen over de Relatie Tussen Vrouwen En Waanzin. Utrecht, 1989.
- Huizer, M. en R. Schuurmans. Dennenoord Getekend voor Zorg - De psychiatrie vormt een bijzonder landgoed in het Drentse Zuidlaren 1895-2015. Groningen, 2015.
- Mans, I. Zin der zotheid: Vijf eeuwen cultuurgeschiedenis van zotten, onnozelen en zwakzinnigen. Amsterdam, 1998.
- Stegge, aan de, C. Gekkenwerk. De ontwikkeling van het beroep psychiatrische verpleegkundige in Nederland. Maastricht, 2012.

