
Collectie Gemeente Assen, Drents Archief
Aron Leip

In mei 1945 gaat de 61-jarige Aron Leip op bezoek bij Jan, een zakenvriend. Aron is antiquair en Jan is meubelmaker. De twee kennen elkaar al dertig jaar. Omdat Aron Joods is, heeft hij aan het begin van de oorlog een groot deel van zijn inboedel bij Jan ondergebracht. Nu de oorlog voorbij is, komt hij zijn spullen weer ophalen...
...maar Jan vertelt hem dat de Sicherheitsdienst tijdens de oorlog alle Joodse goederen heeft ingenomen. Op een aantal meubelstukken na, die Aron meteen terug krijgt, zijn al zijn spullen weg. Een paar weken later ziet Levie, de zoon van Aron, een antieke zilveren theebus van zijn vader bij iemand in de vensterbank staan. De eigenaar van de theebus vertelt hem dat hij deze bij meubelmaker Jan heeft gekocht. Rond dezelfde tijd komen vader en zoon erachter dat de Sicherheitsdienst nooit een inval bij Jan heeft gedaan.
Joodse killes in Drenthe
Al generaties lang wonen er Joodse families in Drenthe. Onder andere in Assen, Meppel, Hoogeveen en Coevorden ontstaan in de 18e eeuw Joodse gemeenschappen (killes) die steeds groter groeien. Zo begint men in Assen in 1832 aan de bouw van een Synagoge, die in 1882 al te klein blijkt te zijn. In 1901 wordt daarom een nieuwe synagoge gebouwd aan de Groningerstraat. Naast een synagoge wordt er een Joodse school opgericht, ontstaan er Joodse verenigingen en spelen Joodse ondernemers een belangrijke rol in de stad. Dit gebeurt niet alleen in Assen, maar op veel plekken in Drenthe.

Toen Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht kwam, vluchtten steeds meer Duitse Joden naar Nederland. Ook in Drenthe worden Joodse vluchtelingen opgevangen. Hiervoor werd in 1939 kamp Westerbork gebouwd. Maar op 10 mei 1940 breekt ook in Nederland de oorlog uit, waarna er langzamerhand maatregelen worden genomen die ook de Joodse gemeenschappen in Drenthe in de weg zitten. Zo zijn Joodse mensen vanaf februari 1942 niet meer welkom in veel openbare gelegenheden, zoals het Drents Museum, het Asser marktterrein en het Stadsbos. Vanaf juni 1942 worden alle mannelijke joden in Drenthe tussen de 18 en 55 jaar opgeroepen om te werken in werkkampen. Niet veel later gaat de bezetter over tot het deporteren van Drentse Joden naar doorvoerkamp Westerbork.


Een benarde situatie
In 1917 trouwt Aron Leip met Grietje Magnus uit Smilde. Samen krijgen ze in 1920 een zoon, Levie. Het gezin woont in de Rolderstraat in Assen en is eigenaar van een antiekhandel. De Duitse inval heeft grote gevolgen voor het gezin. Wanneer in juni 1942 bekend wordt dat Joodse mannen in Drenthe worden opgeroepen om verplicht in werkkampen te werken, krijgt Aron Leip een zenuwinzinking. Hij wordt naar de psychiatrische instelling Licht en Kracht in Assen gebracht om aan te sterken. Zijn zoon Levie wordt in augustus van dat jaar opgeroepen. Hij kiest ervoor om onder te duiken. Grietje doet dit niet, omdat ze bang is hiermee haar man in gevaar te brengen. Niet veel later wordt ze opgepakt en naar Westerbork afgevoerd, waarna ze in oktober in Auschwitz wordt vermoord.

Ondertussen wordt Levie ondergebracht bij de familie Gils in Holthe. Wanneer in het begin van 1943 bekend wordt dat ook de Joodse patiënten in Licht en Kracht zullen worden afgevoerd, zorgt Levie er met een aantal anderen voor dat zijn vader naar Holthe wordt gebracht. Samen brengen ze het grootste deel van de oorlog door bij de familie Gils. Maar in januari 1945 worden ze ontdekt. Ze vluchten naar de familie Jonker in Hijken. In maart wordt deze familie onder dwang van vuurwapens gedwongen de verblijfplaats van Aron en Levie op te geven. Ze worden gearresteerd en naar het huis van bewaring in Assen gebracht.

Kamp Westerbork
Na tien dagen in Assen worden de twee naar Westerbork gedeporteerd, waar ze op 17 maart aankomen. Op dat moment weten zij niet dat er geen transport meer zou vertrekken vanuit het kamp. Een maand lang leven Aron en Levie onder erbarmelijke omstandigheden in het kamp, totdat op 12 april de bevrijding komt.
Maar net als de ruim 850 andere Joden in het kamp, moeten Aron en Levie nog een lange tijd blijven. In de eerste plaats heeft dit te maken met veiligheid. In de rest van Nederland wordt op dat moment nog gevochten. Ook willen de Nederlandse en Canadese autoriteiten natrekken of de personen in het kamp met de nazi’s hebben samengewerkt. Ondertussen worden vanaf 24 april (vermeende) collaborateurs in kamp Westerbork ondergebracht. De aanwezige Joden in het kamp worden ingezet om de beveiliging van deze mensen in het kamp te versterken.

Terug naar huis
Van de 500 personen uit de Joodse kille in Assen, overleven 23 de oorlog. In de maanden na de bevrijding keren zij terug naar huis. Wanneer Aron en Levie precies terugkeren naar Assen is niet bekend. Uit een proces-verbaal dat te vinden is in het Drents Archief, blijkt echter dat deze terugkomst geen warm welkom is. Aron krijgt van Jan te horen dat zijn bezittingen zijn ingenomen door de Duitse Sicherheitsdienst en dat Jan een boete van 1000 gulden heeft gekregen voor het bewaren van Joodse goederen. Aron betaalt Jan 500 gulden ter vergoeding van de boete. Maar wanneer hij er achter komt dat er nooit een inval heeft plaatsgevonden in het huis van Jan en dat zijn theebus door Jan aan iemand is doorverkocht, gaat hij verhaal halen. Aron komt er achter dat zijn spullen nooit zijn ingenomen, maar door Jan zijn verkocht. Hij doet aangifte. In het proces-verbaal, dat te vinden is in het Drents Archief, is te lezen dat Jan bekent dat hij de spullen van Aron heeft doorverkocht. Hij heeft hiervoor ongeveer 3225 gulden ontvangen.

Het verhaal van Aron is slechts één van de vele voorbeelden van de problemen waar de Joodse gemeenschap na de oorlog tegenaan loopt. Huizen van Joodse mensen zijn vaak leeggehaald of er wonen andere mensen. Ook de synagoge in Assen is leeggeroofd. In veel gevallen worden Joodse eigendommen die in bewaring zijn genomen niet teruggegeven. Hoewel het hier gaat om materiële zaken wordt de terugkeer door Joodse overlevenden ook op andere manieren negatief ervaren.
Het Militair Gezag, dat onder andere verantwoordelijk is voor de opvang van de vanuit het buitenland teruggekeerde Joden, wordt als kil ervaren. Aan het enorme aantal slachtoffers die ieder te maken hebben met complexe problematiek, kan geen persoonlijke aandacht worden geschonken. Verder beseffen veel niet-Joodse Nederlanders vaak nog niet wat de Joden hebben moeten doorstaan en heeft het antisemitisme tijdens de oorlog juist een opleving gekregen. De Nederlandse regering hanteert een gelijkheidsprincipe wat betreft oorlogsslachtoffers, waarbij Joden en niet-Joden op dezelfde manier worden behandeld. Ook in Assen is weinig aandacht voor het kleine groepje Joden dat na de bevrijding terugkeert. Op 1 juni 1945 wordt daarom door een aantal Joodse personen, waaronder Levie Leip, een Stichting tot Behartiging van Joodse Belangen in Assen opgericht. Zij nemen zelf het heft in handen door zich in te zetten voor de belangen van weggevoerde Joden.
Conclusie
Ruim 475 van de 500 Joodse personen die voor de oorlog in Assen woonden, overleeft de oorlog niet. De kleine groep Joden die na de oorlog wel terugkeert heeft enorme verliezen meegemaakt. Zo ook Aron en Levie, die jaren hebben moeten onderduiken, opgesloten werden in kamp Westerbork en hun vrouw en moeder Grietje verloren. Ook na de oorlog blijft het leed zich opstapelen.
Aron hoopt voor de oorlog zijn eigendommen veilig te stellen bij een vriend die hij vertrouwt. Na de oorlog blijkt dit vertrouwen geschaad en zijn bezittingen verkocht. In het proces verbaal is te lezen dat Jan niet wordt vervolgd, maar dat Jan en Aron samen tot een overeenkomst zijn gekomen. Jan betaalt Aron de 500 gulden terug en zorgt ervoor dat hij zo veel mogelijk van de verkochte bezittingen terug haalt. Alles wat hij niet terug kan krijgen, zou Jan aanvullen met zijn eigen meubelen.
Het verhaal van Aron illustreert een van de vele problemen waar de Joodse gemeenschap tegenaan loopt bij haar terugkeer naar Drenthe. Dit komt boven op het leed dat zij tijdens de oorlog hebben ervaren. Ook voor de Joodse gemeenschap betekent de bevrijding dus niet een einde aan al het leed en de problemen waar ze tijdens de oorlog mee te maken krijgen.

Bronvermelding
Meer lezen
F.J. Hulst en H.M. Luning. De Joodse gemeente Assen. Geschiedenis van een behoorlijke kille, 1740-1976. Assen: Vanderveen, 1993.
Bronvermelding
- De bovenstaande informatie is voor een groot deel afkomstig uit archiefmaterialen van het Drents Archief. Verder is de volgende literatuur geraadpleegd:
- F.J. Hulst en H.M. Luning. De Joodse gemeente Assen. Geschiedenis van een behoorlijke kille, 1740-1976. Assen: Vanderveen, 1993.
- Jan Ridderbos. De Joodse oorlogsslachtoffers uit Assen. 2011.
- W.F. Klein en M. Kopuit. De Joden in Nederland. Een beeld van hun leven na 1945. Assen: Van Gorcum, 1969.
Geraadpleegde archieftoegangen
- Toegangsnummer 0931, Gemeentepolitie Assen
Inventarisnummer 606 2.15, Processen verbaal 1937-1945, A t/m N.